Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-25
ECLI:NL:RBROT:2024:2518
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,915 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/1066
uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 maart 2024 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van Molenlanden (het college)
(gemachtigde: mr. T. Bender).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 21 december 2023 van het college om de reeds onherroepelijke opgelegde dwangsom van € 10.000,- in te vorderen, vanwege het in strijd met de omgevingsvergunning bouwen van een dakkapel aan de [adres] in Nieuwpoort (het perceel).
1.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van het college.
Totstandkoming van het besluit
2. Op 26 april 2021 heeft het college aan verzoeker een last onder dwangsom opgelegd, omdat verzoeker in strijd met de bouwtekeningen behorende bij de omgevingsvergunning een dakkapel op een andere locatie heeft geplaatst. Verzoeker diende de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, sub a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in samenhang met artikel 2.3a van de Wabo te beëindigen en beëindigd te houden onder de last van een dwangsom van € 1.000,- per week dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 10.000,-.
2.1.
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en beroep ingediend tegen de last onder dwangsom. Met de uitspraak van 12 juli 2023 (zaaknr. ROT 21/5898) heeft de rechtbank het beroep tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard. Hiertegen heeft verzoeker geen hoger beroep ingesteld. De begunstigingstermijn is nogmaals verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank (12 juli 2023 + 6 weken = 23 augustus 2023).
2.2.
Op 12 september, 6 oktober, 13 oktober, 23 oktober en 6 november 2023 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat de dakkapel nog aanwezig is. Het college heeft met de brief van 6 november 2023 het voornemen tot invorderen verzonden. Op 1 november 2023 (23 augustus 2023 + 10 weken (€ 1000,- per week)) is de gehele dwangsom van € 10.000,- van rechtswege verbeurd. 13 december 2023 (1 november 2023 + 6 weken) was de uiterlijke datum dat verzoeker de dwangsom moest betalen (artikel 5:33 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker deze nog niet heeft betaald.
2.3.
De dakkapel is op 11 januari 2024 verwijderd.
Beoordeling
3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker spoedeisend belang heeft. Hoewel het college verzoeker uitstel van betaling heeft gegeven tot twee weken na de beslissing op bezwaar, kan kort na de beslissing op bezwaar weer spoedeisend belang ontstaan bij verzoeker. Ter zitting heeft het college aangegeven dat er begin april een hoorzitting is gepland en begin mei de beslissing op bezwaar zal volgen.
3.2.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker of er bijzondere omstandigheden zijn om af te zien van invordering.
4. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat hij geen overtreder is. Daartoe voert verzoeker aan dat de aannemer, [bedrijf A] . overtreder is. Deze heeft de omgevingsvergunning aangevraagd en is tevens verantwoordelijk voor de dakkapel. Met deze aannemer is namelijk bedongen dat voor de aankoop van de woning een omgevingsvergunning voor een dakkapel zou zijn. Toen de omgevingsvergunning er was mocht verzoeker erop vertrouwen dat de aannemer de dakkapel overeenkomstig de omgevingsvergunning zou realiseren.
Voorts stelt verzoeker dat de hoogte van de dwangsom te hoog is. Verzoeker is een natuurlijk persoon. Op grond van de Leidraad Handhavingsacties is een dwangsom van € 185,- a € 250,- per week passend.
Verder stelt verzoeker dat hij de last niet heeft kunnen uitvoeren binnen de gegeven begunstigingstermijn. De uitspraak over de last onder dwangsom is op 12 juli 2023 gedaan. Tijdens de bouwvakvakantie was het moeilijk om een aannemer te vinden die de dakkapel kon verwijderen. Daarnaast moesten ook dakpannen worden gevonden die passend waren binnen de historische kern van Nieuwpoort. Ook heeft verzoeker geen stappen ondernomen om de last ongedaan te maken, omdat hij in een conflict over de dakkapel verwikkeld was met de aannemer. Tot slot waren in die periode werkzaamheden in de straat die in de weg stonden aan het weghalen van de dakkapel. Daarvoor was een hoogwerker nodig en die kon er niet bij. Verzoeker benadrukt dat de dakkapel inmiddels is verwijderd en er geen reden meer is om tot invordering over te gaan.
4.1.
Voor zover verzoeker zich op het standpunt stelt dat uit het voornemen van de invorderingsbeschikking en de invorderingsbeschikking volgt dat de begunstigingstermijn van zes weken is aangevangen zes weken na de uitspraak van de rechtbank inzake de last onder dwangsom (zaaknr. ROT 21/5898), oordeelt de voorzieningenrechter dat uit de stukken volgt dat de begunstigingstermijn liep tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank. De termijn liep tot 23 augustus 2023. Binnen deze termijn is de begunstigingstermijn niet verlengd. Ook heeft verzoeker geen hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de rechtbank over de last onder dwangsom (zaaknr. ROT 21/5898). Dit betekent dat de last onder dwangsom met de (gewijzigde) begunstigingstermijn onherroepelijk is geworden.
Niet in geschil is dat verzoeker niet binnen de begunstigingstermijn heeft voldaan aan de last door de dakkapel te (laten) verwijderen.
Op grond van artikel 5:33 van de Awb wordt een verbeurde dwangsom betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege verbeurd is. Verzoeker heeft niet betaald binnen deze termijn.
4.2.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1145, moet bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
Mede gelet op de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Wattel van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1152, heeft de Afdeling eerder overwogen dat een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts bij bijzondere omstandigheden. Een bijzondere omstandigheid kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Een ander uitzonderlijk geval kan de onuitvoerbaarheid van een last betreffen. De opgelegde last blijkt dan om technische of juridische redenen evident niet uitvoerbaar te zijn (zie de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1405).
Zoals de Afdeling verder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1145), hoeft het bestuursorgaan bij een besluit omtrent invordering van de verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening te houden met de financiële draagkracht van de overtreder. De draagkracht van de overtreder kan immers in de regel pas in de executiefase ten volle worden gewogen en, indien hierover een geschil ontstaat, is de rechter die belast is met de beslechting daarvan bij uitstek in de positie hierover een oordeel te geven. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat slechts aanleiding indien evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen. Op de overtreder rust de last aannemelijk te maken dat dit het geval is. Hij dient daartoe zodanige informatie te verstrekken dat een betrouwbaar en volledig inzicht wordt verkregen in zijn financiële situatie en de gevolgen die het betalen van de verbeurde dwangsommen zou hebben.
Hoogte van de dwangsom en financiële draagkracht
4.2.1.
Gelet op voorgaande, overweegt de voorzieningenrechter over de grond die ziet op de hoogte van de dwangsom, dat dit een grond is die verzoeker in de procedure tegen de last onder dwangsom had moeten aanvoeren. De voorzieningenrechter laat deze dan ook buiten beschouwing. Ter zitting is naar voren gekomen dat verzoeker zich in de schulden moet steken als hij de dwangsom van €10.000,- moet betalen. De voorzieningenrechter vat dit op als een bijzondere omstandigheid om geheel of gedeeltelijk van invordering af te zien vanwege financiële draagkracht.
4.2.2.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker dit niet aannemelijk gemaakt. Verzoeker kan de bezwaarprocedure echter nog wel gebruiken om stukken in te brengen waaruit blijkt dat hij gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsom (volledig) te betalen. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat aan verzoeker al een betalingsregeling is aangeboden door het college.
Conclusie
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent er geen voorziening wordt getroffen voor eiser. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Regenboog, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.