Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-08
ECLI:NL:RBROT:2024:2276
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,250 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummers: [nummer01] - [nummer02]
[nummer03] - [nummer04]
uitspraakdatum: 8 maart 2024
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker01] en [verzoeker02]
,
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoekers.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 2 januari 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:
- ING Bank N.V. (hierna: ING)
die weigert mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
Vesting Finance heeft namens ING voorafgaand aan de zitting op 6 februari 2024 een verweerschrift aan de rechtbank toegezonden.
Ter zitting van 8 maart 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoekers;
de heer [naam01] , werkzaam bij Van der Linden c.s. Management en Advies (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw [naam02] , werkzaam bij Vesting Finance, namens ING.
Tijdens de zitting is gebleken dat partijen een akkoord hebben bereikt. Daarop is besloten de zitting aan te houden.
Op 6 maart 2024 heeft schuldhulpverlening de rechtbank een e-mail gestuurd waarin het akkoord met ING is bevestigd.
De uitspraak is bepaald op heden.
2
Het verzoek
Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift zes schuldeisers, waarvan één preferente en vijf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 1.206.098,70 van verzoekers te vorderen. Verzoekers hebben op een voor de rechtbank onduidelijke datum een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 11,72% aan de preferente schuldeisers en 5,86% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Dit is later verhoogd naar 16,97% aan de preferente schuldeisers en 8,48% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. Het aangeboden saneringskrediet van € 125.000,-- wordt door GS Brikhoff Staalwerken B.V., de werkgever van verzoeker, ter beschikking gesteld. Het aangeboden percentage wordt in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan.
Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. ING stemde hier aanvankelijk niet mee in. Zij heeft een vordering van € 59.393,98 op verzoekers, welke 4,92% van de totale schuldenlast beloopt.
3
Het verweer
ING stelt in haar verweer vragen over de financiering van het aangeboden akkoord en de herkomst van dit krediet. Daarnaast is het onduidelijk of het aangeboden akkoord het maximaal haalbare is. Ook geeft ING aan een hypotheekrecht te hebben op de woning van verzoekers, waarbij sprake is van overwaarde, en pandrecht op de twee levensverzekeringen van verzoekers. De overwaarde en het de waarde van de levensverzekeringen dienen ten goede te komen aan ING en hetgeen wat overblijft kan worden betrokken in een saneringsvoorstel.
ING heeft tijdens de zitting verklaard alsnog akkoord te zijn gegaan met het saneringsvoorstel.
Beoordeling
Nu ING ter zitting van 29 februari 2024 alsnog heeft ingestemd met de aangeboden regeling, hebben verzoekers geen belang meer bij het opleggen van een dwangakkoord, dan wel het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. Op 6 maart 2024 heeft schuldhulpverlening schriftelijk bevestigd dat ING akkoord is met het saneringsvoorstel.
Zowel het verzoek tot oplegging van het dwangakkoord als het verzoek toepassing wettelijke schuldsanering wordt afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen;
- wijst af het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong rechter, en in aanwezigheid van L.M. Heinis, griffier, in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.