Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-08
ECLI:NL:RBROT:2024:2053
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,532 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/671 V
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 maart 2024 op het verzet van
[naam opposant] , uit [plaats] , opposant
(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 28 november 2022 in het geding tussen
opposant,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] , verweerder.
Procesverloop
Bartels heeft tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente [naam gemeente] van 19 januari 2022 beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 28 november 2022 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Bartels heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld en verzocht te worden gehoord.
De rechtbank heeft het verzet op 30 januari 2024 op zitting behandeld. Bartels is verschenen. Verweerder is niet verschenen.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat Bartels niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn een machtiging heeft overlegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is namens [naam opposant] beroep in te stellen.
2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittinguitspraak terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. Daarvóór moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of het verzet ontvankelijk is.
4. Een verzetschrift dient op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Awb in combinatie met artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb gronden te bevatten.
5. Het verzetschrift van 22 december 2022 bevat geen gronden. De rechtbank heeft Bartels bij brief van 5 oktober 2023 verzocht om dit verzuim binnen twee weken te herstellen. Bartels is in de brief gewezen op het risico van niet-ontvankelijk verklaring.
6. Bartels heeft bij brief van 17 oktober 2023 geantwoord dat de gronden van verzet reeds zijn genoemd, in die brief worden herhaald en nog nader zullen worden aangevuld. De rechtbank stelt vast dat Bartels in het verzetschrift van 22 december 2022 en in de brief van 17 oktober 2023 geen gronden heeft aangevoerd tegen de uitspraak van 28 november 2022, waarin het beroep niet-ontvankelijk is verklaard wegens het niet overleggen van een geldige machtiging.
7. De rechtbank oordeelt dat Bartels niet tijdig gronden van verzet heeft ingediend. De brieven van 5 december 2023 en 30 december 2023 en wat Bartels hierover ter zitting naar voren heeft gebracht is buiten de gegeven herstelverzuimtermijn van twee weken en dus te laat. Niet gebleken is dat het verzuim verschoonbaar is. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.
8. Bartels heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat [naam opposant] Bartels heeft gemachtigd om beroep in te stellen. Omdat niet kan worden vastgesteld dat [naam opposant] beroep wenste in te stellen en een procedure wilde starten, kan ook niet worden vastgesteld dat [naam opposant] immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het verzet niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.J. Veth, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2024.
griffier
rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie stellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.