Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-03-06
ECLI:NL:RBROT:2024:1533
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,223 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/6248
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2024 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Moghni),
en
het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, het college
(gemachtigde: mr. J.V. Dieckmann).
Inleiding
1. Bij brief van 22 augustus 2022 met als onderwerp ‘verrekening gereserveerde vt 2021/2022 met openstaande vorderingen’ heeft het college schriftelijk een telefonisch namens eiser gestelde vraag beantwoord over het niet uitbetalen van vakantiegeld in 2022.
2. Met het bestreden besluit van 19 december 2022 heeft het college het bezwaar van eiser tegen de brief van 22 augustus 2022 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Awb maakt dat mogelijk.
Totstandkoming van het besluit
5. Bij brief van 22 augustus 2022 heeft het college aan eiser laten weten dat hij drie vorderingen uit het verleden nog heeft openstaan, namelijk te veel genoten bijstand uit de periode van 20 november 2015 tot en met 31 december 2015 en twee maal verstrekte bijzondere bijstand/leenbijstand. Als gevolg van gewijzigd debiteurenbeleid heeft het college het gereserveerde vakantiegeld direct verrekend met de openstaande vorderingen. In het bestreden besluit heeft het college het standpunt ingenomen dat deze brief geen besluit in de zin van de Awb is, omdat die brief informatief van aard is en dus ‘geen verandering aanbrengt in de wereld van het recht’ (geen rechtsgevolg).
Het beroep van eiser
6. In beroep voert eiser aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat wel sprake is van een rechtsgevolg. Eisers vakantiegeld wordt namelijk met de brief van 22 augustus 2022 verrekend met openstaande vorderingen. Eisers vakantiegeld wordt al jaren niet meer verrekend. Daarom zou eiser erop mogen vertrouwen dat hij geen openstaande vorderingen (meer) heeft. Subsidiair voert eiser aan dat hij, indien vaststaat dat hij wel openstaande vorderingen heeft, in aanmerking dient te komen voor kwijtschelding.
Beoordeling
7. De rechtbank beoordeelt of het college terecht heeft bepaald dat eisers bezwaar tegen de brief van 22 augustus 2022 niet-ontvankelijk is, omdat die brief geen besluit in de zin van de Awb is. Om die reden laat de rechtbank, voor zover er beroepsgronden zijn aangevoerd die zien op (de hoogte van) de verrekening van openstaande vorderingen, de bespreking daarvan achterwege.
8. Onder een besluit in de zin van de Awb wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
9. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de brief van 22 augustus 2022 geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met die brief heeft het college enkel medegedeeld dat gereserveerd vakantiegeld enkele maanden eerder is verrekend met openstaande vorderingen. Het college heeft met deze mededeling geen verandering aangebracht in de rechtsverhouding met eiser. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de brief niet op enig rechtsgevolg is gericht. De beroepsgrond faalt.
Conclusie
10. Het college heeft terecht bepaald dat eisers bezwaar niet-ontvankelijk is. Het beroep is om die reden kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
11. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2024.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Algemene wet bestuursrecht
Op basis van artikel 60, derde lid van de Paricipatiewet (PW).
Dit is bepaald in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.