Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-06-10
ECLI:NL:RBROT:2024:14138
Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 71/192349-21 Raadkamernummers: 23-015867 en 23-015868 Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [verzoeker] , verzoeker, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001, voor deze zaak domicilie kiezende op het adres van zijn raadsvrouw mr. A. Knol, advocaat te [adres]. 1 Procedure De verzoeken zijn op 23 juni 2023 ingediend. De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens advocaat zijn gehoord. 2 Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie 2.1 Verzoek artikel 533 Sv Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 108.710,- bestaande uit: een bedrag van € 53.460,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest; een bedrag van € 10.050,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis; een bedrag van € 45.200,- als vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest. Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: terroristische misdrijven. De media-aandacht heeft de detentieperiode van verzoeker verzwaard door de bijzondere omstandigheid dat het Openbaar Ministerie verschillende keren zowel tegen de pers als ter openbare terechtzitting verzoeker heeft beticht van sympathiseren met het jihadistisch gedachtegoed, terwijl daarvoor geen feitelijke onderbouwing bestond en uit onderzoek is gebleken dat dat ook niet het geval was. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Voorts is verzoeker bijzonder hard getroffen door de omstandigheden in detentie. Verzoeker was volgens verzoekschrift en pleitnota destijds negentien jaar, thuiswonend en stond op het punt om te gaan studeren. Zijn leven veranderde abrupt op de dag dat hij werd aangehouden en waarna hij maanden als jeugdige op de terrorisme afdeling (hierna: TA) van de gevangenis moest verblijven. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker mentale klachten heeft ontwikkeld waarvoor hij hulp heeft moeten zoeken. Gelet op hetgeen aangevoerd is, heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 2 toewijsbaar maakt. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 26.630,- toewijsbaar. De verzochte vermenigvuldiging dient te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Ook de opgevoerde schade als gevolg van de beperkende werking van de schorsingsvoorwaarden dienen te worden afgewezen. De schorsingsvoorwaarden hebben de vrijheid van verzoeker beperkt, maar de vrijheidsbeperking was niet dusdanig dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn. a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen: verblijf in een politiecel 6 dgn x € 130,- € 780,- verblijf op de TA van een huis van bewaring 198 dgn x € 130,- € 25.740,- beperkingen 7 dgn x € 30,- € 210,- totaal € 26.730,- Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt. Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat verzoeker (op dat moment twintig jaar oud) op het moment van aanhouding op het punt stond zijn ouderlijk huis te verlaten om in het buitenland te gaan studeren. In plaats daarvan heeft hij maanden in detentie doorgebracht op grond van de verdenking van terroristische misdrijven. Verder heeft verzoeker mentale klachten opgelopen als gevolg van zijn aanhouding en de lange duur in detentie. Verzoeker heeft hiervoor deskundige hulp gezocht. Gronden van billijkheid brengen daarom mee dat de som van de door het LOVS voorgestane dagvergoedingen, als verzocht, met een factor 2 moeten worden vermenigvuldigd. Dit leidt tot een totaalbedrag van € 53.460,-. b) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van schorsingsvoorwaarden De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 533 Sv slechts voor vergoeding in aanmerking komt de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Eén en ander kan tot uitzondering leiden indien de vrijheidsbeperking tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis dusdanig is geweest dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. In dat geval kan artikel 5 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) nopen tot schadevergoeding. Artikel 5, vijfde lid EVRM houdt in dat eenieder die een arrestatie of een gevangenhouding heeft ondergaan, die in strijd is met de bepalingen van het artikel, een recht tot schadevergoeding toekomt. Hierbij is een aantal factoren van belang, zoals de aard, duur, effecten en wijze van tenuitvoerlegging, alsmede de mate waarin de betrokkene autonoom kan functioneren en de mogelijkheid heeft eigen keuzes te maken. Uit de jurisprudentie volgt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens per concreet geval oordeelt of al dan niet sprake is van een vrijheidsbeperking, die onder het regime van artike De verzochte kosten voor de reisbewegingen ten behoeve van de gesprekken met de NTA-deskundige komen voor vergoeding in aanmerking, omdat deze gesprekken voor verzoeker verplicht waren gesteld in het kader van de schorsingsvoorwaarden bij de voorlopige hechtenis (verdachte zal medewerking verlenen aan het voeren van inhoudelijke gesprekken met de benoemde NTA-deskundige). Uitgaande van het tarief in het Besluit tarieven in strafzaken 2003, komt het verzochte bedrag van € 56,50 voor toekenning in aanmerking. b) kosten voor noodzakelijke verdediging in strafzaak Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten voor de noodzakelijke verdediging van verzoeker in de strafzaak wordt vooropgesteld dat de declaratie van de advocaat niet bepalend is voor het beoordelen van het verzoek, maar een belangrijk uitgangspunt vormt dat door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten voor rechtsbijstand en zo ja, tot welk bedrag. Verzocht is om vergoeding van het honorarium van de raadsman mr. J.P. Plasman voor werkzaamheden ten behoeve van de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker ter hoogte van € 6.050,-. Daaraan is een urenspecificatie ten grondslag gelegd. De door de raadsman opgevoerde tijdsbesteding, te weten 31,10 uur (inclusief reiskosten), is gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak niet als bovenmatig aan te merken. De kosten voor de raadsman komen derhalve voor vergoeding in aanmerking komen. De gedeclareerde kosten voor rechtsbijstand zullen dan ook geheel, te weten voor een bedrag van € 6.050,-, inclusief btw, voor vergoeding in aanmerking worden gebracht. c) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Svingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 7.865,-. De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen. Besluit Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 7.556,50 (€ 826,50 + € 6.050,- + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. 6 Beslissing De rechtbank: t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv: kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 98.660,- (zegge: achtennegentigduizend zeshonderdenzestig euro); verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte. t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv: kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 7.556,50 (zegge: zevenduizend vijfhonderdenzesenvijftig euro en vijftig eurocent); verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door: mr. J.L.M. Boek, voorzitter, mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024. Bevelschrift van tenuitvoerlegging Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-015867) is op de voet van artikel 533 Sv aan [verzoeker] , verzoeker, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001 een vergoe