Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2024-06-10
ECLI:NL:RBROT:2024:14134
Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 71/174357-21 Raadkamernummers: 23-015876 en 23-015877 Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de verzoeken als bedoeld in de artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van: [verzoeker] , verzoeker, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, voor deze zaak domicilie kiezende op het adres van zijn raadsvrouw mr. A. Knol, advocaat te [adres] . 1 Procedure De verzoeken zijn op 22 juni 2023 ingediend. De verzoeken zijn op 15 april 2024 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officieren van justitie mrs. D. Kardol en G. Sannes (hierna: de officier van justitie), verzoeker en diens advocaat zijn gehoord. 2 Inhoud verzoeken en standpunt officier van justitie 2.1 Verzoek artikel 533 Sv Het verzoek strekt, na wijziging op zitting, ertoe dat aan verzoeker uit ’s Rijks kas wordt toegekend een bedrag van € 378.199,34, bestaande uit: een bedrag van € 64.180,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest; een bedrag van € 8.790,- als vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de voorwaarden bij de schorsing van de voorlopige hechtenis; een bedrag van € 34.265,88 als vergoeding voor materiële schade als gevolg van het voorarrest; een bedrag van € 270.963,46 als vergoeding voor loonderving. Gesteld is dat er gronden van billijkheid zijn om een hogere dan de forfaitaire vergoeding toe te kennen voor de geleden immateriële schade. Daartoe is aangevoerd en ter zitting toegelicht dat de aanhouding en detentie een bijzondere impact hebben gehad op verzoeker. Verzoeker zal de gevolgen van de detentie en de strafzaak in het algemeen zijn leven lang in meer of mindere mate ondervinden. De verdenking behelst één van de ernstigste zo niet de ernstigste strafbare feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent: terroristische misdrijven. De media-aandacht heeft de detentieperiode van verzoeker verzwaard door de bijzondere omstandigheid dat het Openbaar Ministerie verschillende keren zowel tegen de pers als ter openbare terechtzitting verzoeker heeft beticht van sympathiseren met het jihadistisch gedachtegoed, terwijl daarvoor geen feitelijke onderbouwing bestond en uit onderzoek is gebleken dat dat ook niet het geval was. Ook zal verzoeker hinder blijven ondervinden bij het reizen naar het buitenland, zolang hij op de lijst met namen van Nederlandse terrorismeverdachten blijft staan en de Nederlandse Staat geen stappen onderneemt om verzoeker van deze lijst te (laten) verwijderen. Voorts is verzoeker bijzonder hard geconfronteerd met het feit dat hij op de dagen dat hij zou gaan trouwen en daarna op huwelijksreis zou gaan, zich bevond in een cel op de terrorisme afdeling (hierna: TA) van een huis van bewaring. Al deze ervaringen en omstandigheden hebben als gevolg dat verzoeker thans nog onder behandeling is van een gedragsdeskundige. Gelet op hetgeen is aangevoerd heeft verzoeker immateriële schade geleden als gevolg van zijn detentie die de verhoging met een factor 2 toewijsbaar maakt. De officier van justitie heeft ter zitting geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek voor zover het de forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest beloopt en acht een bedrag van € 31.180,- toewijsbaar. Voorts heeft de officier van justitie ter zitting aanleiding gezien om te concluderen tot toewijzing van de vordering tot vergoeding voor de psychische schade ter hoogte van € 5.000,-. Voor het overige dient het verzoek te worden afgewezen. De schorsingsvoorwaarden hebben de vrijheid van verzoeker beperkt, maar de vrijheidsbeperking was niet dusdanig dat feitelijk gesproken moet worden van vrijheidsontneming. Ook dient de verzochte vermenigvuldiging te worden afgewezen. De aangevoerde omstandigheden zijn niet aan te merken als zeer bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire vergoeding rechtvaardigen. Ten aanzien van de kosten voor het annuleren van de bruiloft en de huwelijksreis acht de officier van jus De aanspraak bestaat, ongeacht het antwoord op de vraag of de verdenking of ernstige bezwaren achteraf ongegrond zijn gebleken. Er kan, met andere woorden, geen sprake zijn van een soort “rest verdenking” die tot afwijzing van het verzoek zou moeten leiden. De schade kan zijn materiële schade of immateriële schade. De laatste vorm van schade wordt na voorarrest verondersteld aanwezig te zijn, waarbij de omvang wordt bepaald aan de hand van een forfaitair bedrag per dag ondergane voorarrest, dat onder zeer bijzondere omstandigheden kan worden verhoogd. De verzoeker dient de hoogte van de gevorderde materiële schade te onderbouwen. De officier van justitie heeft bij sommige materiële schadeposten tot afwijzing geconcludeerd vanwege het “laakbare gedrag” van verzoeker en verwezen naar de overweging van de rechtbank in het vonnis over de voorlopige hechtenis. Maar over welk laakbaar gedrag het dan gaat is onduidelijk gebleven. Nu zelfs oplegging van een straf of maatregel, zij het voor een ander feit, op zich aan toekenning van een schadevergoeding niet in de weg staat, kan “laakbaar gedrag” hoe dan ook geen rol spelen bij de beoordeling van de aanspraak op zich. En de overweging van de rechtbank in het vonnis behelst slechts dat er steeds ernstige bezwaren zijn geweest en dat er sprake is geweest van een verdenking die noopte tot strafrechtelijk onderzoek. Dat onderbouwt slechts de rechtmatigheid van het overheidsoptreden en juist daarvoor is de onderhavige regeling van schadevergoeding in het leven geroepen. De toekenning van een vergoeding heeft ingevolge artikel 534 Sv verder plaats indien hiervoor naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Uit de feiten volgt dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Gebleken is dat er ten tijde van de toepassing van de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis voldoende verdenking tegen verzoeker was om die dwangmiddelen te rechtvaardigen. Alle omstandigheden in aanmerking genomen worden gronden van billijkheid aanwezig geacht om aan verzoeker een vergoeding voor materiele en immateriële schade als gevolg van het voorarrest toe te kennen. De volgende vraag is wat de hoogte van de compensatie moet zijn. a. a) vergoeding voor immateriële schade als gevolg van het voorarrest Op basis van de tarieven, zoals die door het LOVS worden voorgestaan voor voorarrest dat is ondergaan op of na 1 maart 2021, heeft verzoeker recht op de volgende vergoedingen: verblijf in een politiecel 6 dgn x € 130,- € 780,- verblijf op de TA van een huis van bewaring 239 dgn x € 130,- € 31.070,- beperkingen 7 dgn x € 30,- € 210,- totaal € 32.060,- Deze forfaitaire vergoeding voor het ondergane voorarrest biedt compensatie voor de immateriële schade die men daarvoor in het algemeen pleegt te lijden. Voor toekenning van een hogere vergoeding van immateriële schade is, als gezegd, plaats indien sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de vrijheidsbeneming voor verzoeker als gewezen verdachte grotere gevolgen heeft gehad dan voor andere verdachten die ter zake van gelijkluidende verdenkingen preventief worden gehecht. In de beoordeling van deze billijkheid dienen alle omstandigheden van het geval betrokken te worden, waaronder de ernst van het feit waarvan verzoeker werd verdacht, de aanhouding, extra belastende ervaringen tijdens detentie, media-aandacht en concrete gevolgen voor het persoonlijke leven. De rechtbank acht het zeer aannemelijk dat het voorarrest voor verzoeker bijzonder ingrijpend is geweest en dat hij daarvan naar verhouding (nog steeds) bovengemiddelde nadelige gevolgen ondervindt. Ten aanzien van de nadelige gevolgen voor verzoeker in het bijzonder is daarbij meegenomen dat uit de stukken is gebleken dat het ontslag van verzoeker bij het chipbedrijf ASML het directe gevolg is geweest van de uitlatingen van het Openbaar Ministerie gedurende de detentie c) vergoeding voor materiele schade als gevolg van het voorarrest Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor Huur woning/vaste lasten € 11.735,73 Opslag inboedel + verhuizing € 1.854,99 + € 2.200,- Geannuleerde bruiloft en huwelijksreis € 15.656,30 Levensonderhoud Penitentiaire Inrichting (PI) € 1.000,- Reiskosten familiebezoeken PI € 766,08 Eigen risico tot en met 2024 € 1.052,78 Huur woning/vaste lasten Verzoeker heeft aangevoerd dat een causaal verband bestaat tussen zijn detentie en het opzeggen van zijn huurwoning. Door de lange duur van het voorarrest kon verzoeker de maandelijkse huurbetalingen en vaste lasten niet meer opbrengen. Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor het verlies van zijn huurwoning in de vorm van de kosten die hij over de periode van september 2021 tot en met mei 2022 heeft moeten maken ten aanzien van zijn woning en de daarbij horende vaste lasten. De rechtbank begrijpt de stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. De gevorderde bedragen zijn voldoende onderbouwd en komen dus voor vergoeding in aanmerking. Opslag inboedel, verhuizing en eigen risico De rechtbank is van oordeel dat door verzoeker voldoende aannemelijk is gemaakt dat hij ten gevolge van zijn detentie de gestelde kosten heeft moeten maken en dat hij die kosten zonder detentie niet had gehad. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en het totale bedrag van € 5.107,77 zal worden toegewezen. Geannuleerde bruiloft en huwelijksreis Verzoeker heeft aangevoerd dat zijn geplande bruiloft op 9 oktober 2021 en daaropvolgende huwelijksreis van 24 oktober 2021 tot 4 november 2021 geen doorgang konden vinden, omdat hij op dat moment in detentie zat. Het was niet meer mogelijk om de gemaakte reserveringen te annuleren en de gemaakte kosten terug te krijgen. Gevraagd is om deze kosten als vergoeding voor ontstane materiële schade toe te wijzen. De rechtbank begrijpt de stellingen van verzoeker aldus dat hij vergoeding van deze kosten vordert omdat de kosten door de voorlopige hechtenis zonder nut zijn gemaakt. Dat is vermogensschade zoals bedoeld in art. 6:95 BW die aan de Staat kan worden toegerekend. De waarde van het gemiste voordeel wordt gesteld op de voor het verkrijgen daarvan gedane uitgaven. De gevorderde bedragen zijn voldoende onderbouwd en komen dus voor vergoeding in aanmerking. Levensonderhoud PI Ten aanzien van deze kosten oordeelt de rechtbank dat deze schade niet voor een vergoeding op de voet van artikel 533 Sv in aanmerking komt nu er geen causaal verband is tussen de gestelde schade en de voorlopige hechtenis van verzoeker. Ook als verzoeker niet in voorlopige hechtenis gesteld was geweest, had hij immers deze kosten moeten maken. Reiskosten familiebezoeken PI De rechtbank is van oordeel dat kosten die zijn familieleden hebben gemaakt om verzoeker te bezoeken tijdens zijn detentie niet zijn aan te merken als schade die verzoeker zelf ten gevolge van het ondergane voorarrest heeft geleden en komen daardoor niet voor vergoeding in aanmerking. Conclusie Gelet op het voorgaande zal aan verzoekervoor aanvullende geleden materiële schade een vergoeding ter hoogte van € 32.499,80 (€ 11.735,73 + € 5.107,77 + € 15.656,30) worden toegekend en zal het verzoek voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. d) vergoeding voor loonderving Gevraagd is om toekenning van een vergoeding voor gederfde inkomsten over de periode van 23 september 2021 tot en met 25 mei 2022. Tijdens de detentie heeft verzoeker onbetaald verlof opgenomen en vanaf 1 mei 2022 is het arbeidscontract met zijn werkgever ontbonden. Vanaf de schorsing van verzoeker op 25 mei 2022 heeft hij een WW-uitkering genoten totdat hij een c) kosten voor noodzakelijke verdediging in strafzaak Bij de beoordeling van het verzoek tot vergoeding van de kosten voor de noodzakelijke verdediging van verzoeker in de strafzaak wordt vooropgesteld dat de declaratie van de advocaat niet bepalend is voor het beoordelen van het verzoek, maar een belangrijk uitgangspunt vormt dat door de rechtbank wordt betrokken in haar oordeel of er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn aan verzoeker een vergoeding toe te kennen voor de kosten voor rechtsbijstand en zo ja, tot welk bedrag. Verzocht is om vergoeding van het honorarium van de raadsman mr. J.P. Plasman voor werkzaamheden ten behoeve van de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker ter hoogte van € 15.587,83. Daaraan is een urenspecificatie ten grondslag gelegd. De door de raadsman opgevoerde tijdsbesteding, te weten 57,60 uur (inclusief reiskosten), is gelet op de aard, de omvang en de complexiteit van de zaak niet als bovenmatig aan te merken. De kosten voor de raadsman komen derhalve voor vergoeding in aanmerking komen. De gedeclareerde kosten voor rechtsbijstand zullen dan ook geheel, te weten voor een bedrag van € 15.587,83, inclusief btw, voor vergoeding in aanmerking worden gebracht. d) kosten rechtsbijstand voor opstellen, indienen en behandelen verzoekschriften Verzocht is om vergoeding van kosten voor het opstellen, indienen en behandelen van de op grond van de artikelen 533 Sv en 530 Sv ingediende verzoekschriften ter hoogte van het bedrag van € 7.865,-. De rechtbank kent, evenals alle andere gerechten in Nederland, de vergoeding voor het indienen en behandelen van een verzoek op grond van artikel 530 Sv toe op grond van de zogenoemde forfaitaire bedragen. Dat daar voor de ene zaak meer tijd mee gemoeid is dan voor een andere, is daarin meegewogen. Van een volledige vergoeding van de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoek kan daardoor geen sprake zijn. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen kunnen gronden van billijkheid aanwezig zijn om een hoger forfaitair bedrag toe te kennen. Van zo’n uitzonderlijk geval is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak geen sprake. De rechtbank zal dan ook de forfaitaire vergoeding van € 680,- toewijzen. Besluit Resumerend zal de rechtbank aan verzoeker op grond van artikel 530 Sv een totale vergoeding van € 18.443,17 (€ 778,01 + € 1.397,33 + € 15.587,83 + € 680,-) toekennen en verzoeker voor het overige niet-ontvankelijk verklaren. 6 Beslissing De rechtbank: t.a.v. het verzoek op grond van artikel 533 Sv: kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 140.775,92 (zegge: honderdveertigduizend zevenhonderdenvijfenzeventig euro en tweeënnegentig eurocent); verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte. t.a.v. het verzoek op grond van artikel 530 Sv: kent aan verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van € 18.443,17 (zegge: achttienduizend vierhonderddrieënveertig euro en zeventien eurocent); verklaart verzoeker niet ontvankelijk voor het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door: mr. J.L.M. Boek, voorzitter, mrs. K.Th. van Barneveld en J. van de Klashorst, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.C.M.A. Bals, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2024. Bevelschrift van tenuitvoerlegging Bij beschikking van deze rechtbank, meervoudige raadkamer, van 10 juni 2024 (RK-nummer: 23-015876) is op de voet van artikel 533 Sv aan [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, een vergoeding uit ’s Rijks kas toegekend van € 140.775,92 (zegge: honderdveertigduizend zevenhonderdenvijfenzeventig euro en tweeënnegentig eurocent). Bevolen wordt dat de griffier na het onherroepelijk worden van de beschikking overgaat tot uitbetaling van dit bedrag door overmaking op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Stichting Derdengelden Plasman Advocaten te Amsterdam, o.v.v. “D2300268”. Dit bevelschrift is afgegeven op 10 juni 2024 door mr. J