Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-01-12
ECLI:NL:RBROT:2024:14100
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
6,448 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/670116 / JE RK 23-2795
Datum uitspraak: 12 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte, te Rotterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. M.A. Oosterveen, te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 november 2023.
het e-mailbericht met bijlagen van de GI van 22 december 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [de grootmoeder] , de grootmoeder vz.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 januari 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juli 2023 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 januari 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] heeft het Syndroom van Down. Zij is niet in staat om met woorden uit te spreken wat haar gevoel is en wat haar wensen zijn. Zij verblijft in een pleeggezin. Er vinden bezoeken plaats met de ouders. Er is een andere vader te zien nu, ten opzichte van de eerste bezoeken. De vader had toen weinig oog voor zijn dochter en haar ontwikkeling en veiligheid. In de bezoeken van nu is een vader te zien die daar wel oog voor heeft. De bezoeken lagen even stil in de vakantieperiode van de vader. De moeder is een lange tijd in het buitenland geweest. De moeder is nu stabieler, maar zij geeft aan dat zij niet weet of zij dit in de toekomst voor [minderjarige] kan zorgen. Dit is veranderd bij de vader. Hij geeft nu aan dat hij voor [minderjarige] wil zorgen. Dat is een positieve ontwikkeling maar de GI wil dat eerst goed uitgezicht wordt of de vader die zorg ook daadwerkelijk kan bieden. [minderjarige] is lief en rustig maar desalniettemin een meisje met een complexe opvoedvraag. Er is ingestoken op een perspectiefonderzoek bij het WSVG. Helaas is er een lange wachtlijst. Om daar versnelling in te brengen is er gezocht naar een andere oplossing. Op 19 februari 2024 kan de vader naar [zorginstelling] van Horizon voor een gezinsopname. Er zal na zeven dagen een adviesgesprek volgen waarin gaat worden aangegeven of de vader met hulp voor [minderjarige] kan zorgen of dat het niet goed genoeg is. Als vader voor [minderjarige] kan zorgen, kan er hulp worden geboden in de vorm van opvoedondersteuning. Deze ondersteuning kan een half jaar beschikbaar zijn bij vader. Het is van belang dat er een rustige overgang plaatsvindt van het pleeggezin naar de vader. Totdat helder is waar [minderjarige] kan gaan wonen, kan zij in het huidige pleeggezin blijven. Dat was aanvankelijk anders, zodat de GI oorspronkelijk een andersluidend verzoek heeft gedaan, te weten uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Voortzetting van de plaatsing in het huidige pleeggezin is echter veel meer in het belang van [minderjarige] . De GI verzoekt daarom ter zitting een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg.
4De standpunten
4.1.
Namens en door vader is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. [minderjarige] kan bij de vader wonen. Een uithuisplaatsing is niet nodig. Het proces duurt veel te lang. Het is nu zeven maanden later en er is niets gedaan. [minderjarige] is hier de dupe van en de vader ook. De vader is gefrustreerd. De vader verzoekt primair om [minderjarige] bij de vader te plaatsen. Subsidiair verzoekt de vader om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden en het restant af te wijzen.
4.2.
Namens en door de moeder wordt er geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. De moeder begrijpt daarnaast dat wordt gekeken of [minderjarige] naar de vader kan. De moeder betwijfelt of de vader de juiste plek is voor [minderjarige] . De moeder vraagt zich af of een neutrale plek voor [minderjarige] niet beter is. Er is geen samenwerking mogelijk tussen de ouders. De moeder vreest dat als [minderjarige] bij de vader gaat wonen, dat [minderjarige] vanuit daar niet in de gelegenheid is om onbelast contact te hebben met de moeder. Een neutrale plaatsing, zoals een gezinshuis, waarin pedagogisch onderlegde gezinshuisouders zijn, is een betere opvoedomgeving voor [minderjarige] . De moeder geeft aan dat als de gezinsopname bij Horizon positief uitvalt, het van belang is dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] gewaarborgd blijft en dat de GI hierin moet bemiddelen. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder verloopt op dit moment goed. Youthcare begeleidt de bezoeken om te kunnen aankijken wat [minderjarige] nodig heeft. Daarnaast vindt de moeder het belangrijk dat de band tussen [minderjarige] en haar broertje gewaarborgd blijft. Dat is op dit moment heel lastig.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
[minderjarige] ontwikkelt zich positief in het neutrale pleeggezin. De afgelopen periode heeft zij veel stappen gezet. Ook de ouders hebben stappen in de goede richting gezet en nemen hun verantwoordelijkheid ten aanzien van [minderjarige] . De moeder heeft een periode in het buitenland verbleven en is op dit moment stabiel. Op 27 oktober 2023 is er een gesprek geweest tussen de moeder en de jeugdbeschermer, waarbij de moeder aangegeven heeft dat zij op dit moment [minderjarige] niet de rust en stabiliteit kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. De vader heeft de afgelopen periode laten zien dat hij graag voor [minderjarige] wil zorgen. Er is een liefdevolle band te zien tussen [minderjarige] en de vader, maar het is vooralsnog onvoldoende duidelijk of de vader de bijzondere zorg die [minderjarige] nodig heeft, kan bieden. Het pleeggezin heeft kenbaar gemaakt niet veel langer meer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Er moet dus een nieuwe plek voor [minderjarige] worden gevonden, maar tot die tijd kan zij nog in het huidige pleeggezin blijven. De vader zal in februari meewerken aan een gezinsopname bij [zorginstelling] , waarna een advies zal worden gegeven over de opvoedvaardigheden van de vader. Deze opname en het advies moeten worden afgewacht voordat wordt besloten tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader of in een gezinshuis. De moeder heeft ter zitting haar zorgen geuit over een plaatsing bij de vader, nu het de ouders niet lukt om te communiceren op een constructieve manier. Zij oppert daarom een plaatsing in een neutraal pleeggezin ook bij geschiktheid van de vader. Dat zou heel ingrijpend zijn voor [minderjarige] . Het is van belang dat de ouders een bestendige oplossing vinden om er voor [minderjarige] te zijn en keuzes te kunnen maken in haar belang. De kinderrechter heeft de ouders ervoor gewaarschuwd dat de ouders uiteindelijk de belangen van [minderjarige] (en haar broertje) boven hun eigen belangen moeten stellen en hun strijd moeten staken. De ouders zitten op dit moment niet op één lijn. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer is daarom nog noodzakelijk.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing voor het overige aanhouden tot de hierna te noemen datum. De kinderrechter verzoekt de GI alsdan te rapporteren over de laatste stand van zaken en daarbij aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet gehandhaafd wordt.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 20 januari 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 20 april 2024;
6.3.
en alvorens verder te beslissen:
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat de verdere behandeling van het verzoek van de GI zal plaatsvinden op 14 maart 2024 te 11:30 uur; in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 te Rotterdam;
6.4.
De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden en hun advocaten;
6.6.
verzoekt de GI twee weken voor de zittingsdatum de kinderrechter de verzochte rapportage (met afschrift aan de belanghebbenden en hun advocaten) te doen toekomen.
6.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2024 door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/670116 / JE RK 23-2795
Datum uitspraak: 12 januari 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaats 1] ,
advocaat mr. N. Schiettekatte, te Rotterdam,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [plaats 2] ,
advocaat mr. M.A. Oosterveen, te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen bij de rechtbank op 24 november 2023.
het e-mailbericht met bijlagen van de GI van 22 december 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 januari 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [de grootmoeder] , de grootmoeder vz.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 januari 2023 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 20 januari 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 18 juli 2023 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 20 januari 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige] heeft het Syndroom van Down. Zij is niet in staat om met woorden uit te spreken wat haar gevoel is en wat haar wensen zijn. Zij verblijft in een pleeggezin. Er vinden bezoeken plaats met de ouders. Er is een andere vader te zien nu, ten opzichte van de eerste bezoeken. De vader had toen weinig oog voor zijn dochter en haar ontwikkeling en veiligheid. In de bezoeken van nu is een vader te zien die daar wel oog voor heeft. De bezoeken lagen even stil in de vakantieperiode van de vader. De moeder is een lange tijd in het buitenland geweest. De moeder is nu stabieler, maar zij geeft aan dat zij niet weet of zij dit in de toekomst voor [minderjarige] kan zorgen. Dit is veranderd bij de vader. Hij geeft nu aan dat hij voor [minderjarige] wil zorgen. Dat is een positieve ontwikkeling maar de GI wil dat eerst goed uitgezicht wordt of de vader die zorg ook daadwerkelijk kan bieden. [minderjarige] is lief en rustig maar desalniettemin een meisje met een complexe opvoedvraag. Er is ingestoken op een perspectiefonderzoek bij het WSVG. Helaas is er een lange wachtlijst. Om daar versnelling in te brengen is er gezocht naar een andere oplossing. Op 19 februari 2024 kan de vader naar [zorginstelling] van Horizon voor een gezinsopname. Er zal na zeven dagen een adviesgesprek volgen waarin gaat worden aangegeven of de vader met hulp voor [minderjarige] kan zorgen of dat het niet goed genoeg is. Als vader voor [minderjarige] kan zorgen, kan er hulp worden geboden in de vorm van opvoedondersteuning. Deze ondersteuning kan een half jaar beschikbaar zijn bij vader. Het is van belang dat er een rustige overgang plaatsvindt van het pleeggezin naar de vader. Totdat helder is waar [minderjarige] kan gaan wonen, kan zij in het huidige pleeggezin blijven. Dat was aanvankelijk anders, zodat de GI oorspronkelijk een andersluidend verzoek heeft gedaan, te weten uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Voortzetting van de plaatsing in het huidige pleeggezin is echter veel meer in het belang van [minderjarige] . De GI verzoekt daarom ter zitting een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg.
4De standpunten
4.1.
Namens en door vader is ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. [minderjarige] kan bij de vader wonen. Een uithuisplaatsing is niet nodig. Het proces duurt veel te lang. Het is nu zeven maanden later en er is niets gedaan. [minderjarige] is hier de dupe van en de vader ook. De vader is gefrustreerd. De vader verzoekt primair om [minderjarige] bij de vader te plaatsen. Subsidiair verzoekt de vader om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden en het restant af te wijzen.
4.2.
Namens en door de moeder wordt er geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. De moeder begrijpt daarnaast dat wordt gekeken of [minderjarige] naar de vader kan. De moeder betwijfelt of de vader de juiste plek is voor [minderjarige] . De moeder vraagt zich af of een neutrale plek voor [minderjarige] niet beter is. Er is geen samenwerking mogelijk tussen de ouders. De moeder vreest dat als [minderjarige] bij de vader gaat wonen, dat [minderjarige] vanuit daar niet in de gelegenheid is om onbelast contact te hebben met de moeder. Een neutrale plaatsing, zoals een gezinshuis, waarin pedagogisch onderlegde gezinshuisouders zijn, is een betere opvoedomgeving voor [minderjarige] . De moeder geeft aan dat als de gezinsopname bij Horizon positief uitvalt, het van belang is dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] gewaarborgd blijft en dat de GI hierin moet bemiddelen. Het contact tussen [minderjarige] en de moeder verloopt op dit moment goed. Youthcare begeleidt de bezoeken om te kunnen aankijken wat [minderjarige] nodig heeft. Daarnaast vindt de moeder het belangrijk dat de band tussen [minderjarige] en haar broertje gewaarborgd blijft. Dat is op dit moment heel lastig.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
[minderjarige] ontwikkelt zich positief in het neutrale pleeggezin. De afgelopen periode heeft zij veel stappen gezet. Ook de ouders hebben stappen in de goede richting gezet en nemen hun verantwoordelijkheid ten aanzien van [minderjarige] . De moeder heeft een periode in het buitenland verbleven en is op dit moment stabiel. Op 27 oktober 2023 is er een gesprek geweest tussen de moeder en de jeugdbeschermer, waarbij de moeder aangegeven heeft dat zij op dit moment [minderjarige] niet de rust en stabiliteit kan bieden die [minderjarige] nodig heeft. De vader heeft de afgelopen periode laten zien dat hij graag voor [minderjarige] wil zorgen. Er is een liefdevolle band te zien tussen [minderjarige] en de vader, maar het is vooralsnog onvoldoende duidelijk of de vader de bijzondere zorg die [minderjarige] nodig heeft, kan bieden. Het pleeggezin heeft kenbaar gemaakt niet veel langer meer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Er moet dus een nieuwe plek voor [minderjarige] worden gevonden, maar tot die tijd kan zij nog in het huidige pleeggezin blijven. De vader zal in februari meewerken aan een gezinsopname bij [zorginstelling] , waarna een advies zal worden gegeven over de opvoedvaardigheden van de vader. Deze opname en het advies moeten worden afgewacht voordat wordt besloten tot plaatsing van [minderjarige] bij de vader of in een gezinshuis. De moeder heeft ter zitting haar zorgen geuit over een plaatsing bij de vader, nu het de ouders niet lukt om te communiceren op een constructieve manier. Zij oppert daarom een plaatsing in een neutraal pleeggezin ook bij geschiktheid van de vader. Dat zou heel ingrijpend zijn voor [minderjarige] . Het is van belang dat de ouders een bestendige oplossing vinden om er voor [minderjarige] te zijn en keuzes te kunnen maken in haar belang. De kinderrechter heeft de ouders ervoor gewaarschuwd dat de ouders uiteindelijk de belangen van [minderjarige] (en haar broertje) boven hun eigen belangen moeten stellen en hun strijd moeten staken. De ouders zitten op dit moment niet op één lijn. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer is daarom nog noodzakelijk.
5.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).
5.4.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing voor het overige aanhouden tot de hierna te noemen datum. De kinderrechter verzoekt de GI alsdan te rapporteren over de laatste stand van zaken en daarbij aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet gehandhaafd wordt.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 20 januari 2025;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 20 april 2024;
6.3.
en alvorens verder te beslissen:
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan en bepaalt dat de verdere behandeling van het verzoek van de GI zal plaatsvinden op 14 maart 2024 te 11:30 uur; in het gerechtsgebouw aan het Wilhelminaplein 100/125 te Rotterdam;
6.4.
De zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter;
6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden en hun advocaten;
6.6.
verzoekt de GI twee weken voor de zittingsdatum de kinderrechter de verzochte rapportage (met afschrift aan de belanghebbenden en hun advocaten) te doen toekomen.
6.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2024 door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V. Versteeg als griffier, en op schrift gesteld op 29 januari 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.