Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-20
ECLI:NL:RBROT:2024:13816
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
25,650 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/658251 / FA RK 23-3778 (echtscheiding)
C/10/689650 / FA RK 24-8617 (verdeling)
Beschikking van 20 november 2024 over de echtscheiding
in de zaak van partijen:
[naam vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S. Karami te Amsterdam,
t e g e n
[naam 1 man]
, in de huwelijksakte ook aangeduid als: [naam 2 man],
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 mei 2023;
het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 31 augustus 2023;
het gewijzigd verzoek met bijlagen van de vrouw van 26 februari 2024;
het verweerschrift op het gewijzigd verzoek tevens zelfstandige verzoeken met bijlagen van de man van 25 maart 2024;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 13 oktober 2024;
de berichten (waarvan één met bijlagen) van de man van 5 februari 2024 en
10 oktober 2024.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
- de berichten met bijlagen van de vrouw van 17 en 22 oktober 2024.
1.2.
De man maakt bezwaar tegen de stukken van de vrouw van 17 en 22 oktober 2024, omdat de stukken te laat zijn overgelegd. De vrouw voert aan dat zij een aantal stukken al eerder heeft ingediend en dat het geen zware stukken zijn. De rechtbank laat de stukken niet toe. De stukken zijn buiten de daarvoor geldende termijn ingediend en niet voorzien van enige toelichting. Daarnaast zijn het stukken die eerder ingediend hadden kunnen worden, gezien de datum van de stukken zelf. Alles tezamen acht de rechtbank dat in strijd met de goede procesorde. Uitzondering hierop is productie 42. Dat stuk had gezien de datum niet eerder ingediend kunnen worden en de rechtbank is van oordeel dat de inhoud van dat stuk (een verslag van Enver) dermate relevant kan zijn voor de beoordeling dat dat stuk wel wordt toegelaten.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2024 Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] (Marokko) op [huwelijksdatum] .
2.2.
Het minderjarig kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] .
2.3.
Partijen hebben beiden de Nederlands nationaliteit en de Marokkaanse nationaliteit.
2.4.
Bij beschikking van 12 oktober 2023 zijn door de rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen over de zorgregeling met de minderjarige en de kinderbijdrage.
2.5.
Bij beschikking van 11 september 2024 zijn de verzoeken om de getroffen voorlopige voorzieningen te wijzigen, afgewezen en zijn partijen verwezen naar het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling.
Beoordeling
3.1.
Scheiding
3.1.1.
Partijen verzoeken allebei de echtscheiding tussen hen uit te spreken. De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en de man betwist dat niet.
3.1.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.1.3.
Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd.
3.1.5.
Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd. Omdat tijdens de mondelinge behandeling voldoende is gebleken dat het voor partijen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.
3.1.6.
Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.
3.2.2.
De man stemt in met het verzoek.
3.2.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 HKV 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken, op de wet is gegrond en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij de minderjarige bij hem is:
om de week in een even weekend van vrijdag 16.00 uur tot en met zondag 17.30 uur;
de helft van de vakanties en feestdagen;
waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige na ommekomst van de omgang terugbrengt naar de vrouw; en
- in de oneven jaren met het Suikerfeest en in de even jaren met het Offerfeest, waarbij de vrouw de minderjarige de dag ervoor om 16.00 uur naar de man brengt en de man de minderjarige op de laatste dag om 17.30 uur terug zal brengen.
Daarnaast verzoekt de man de vrouw een dwangsom op te leggen van € 250,- met een maximum van € 250.000,- voor iedere keer en elke dag dat de vrouw de minderjarige niet naar de man brengt en/of wanneer zij niet thuis is voor het overdrachtsmoment na de omgang.
3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 HKV 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.3.4.
Op grond van artikel 827 Rv kan de rechtbank ingeval van een echtscheiding op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een zorgregeling vaststellen.
Reguliere zorgregeling
3.3.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man en de minderjarige sinds 4 januari 2024 geen contact meer hebben gehad. Tot die datum werd de voorlopige zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 12 oktober 2023 uitgevoerd. Over de redenen waarom de voorlopige zorgregeling niet meer is uitgevoerd lopen de meningen van partijen uiteen.
3.3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw geen bezwaar heeft tegen het voorstel van de man over de reguliere zorgregeling, te weten dat de minderjarige bij de man is om de week in de even weekenden van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.30 uur. De man heeft op zijn beurt geen bezwaar tegen het opbouwen van de omgang, zoals de vrouw voorstelt. Partijen twisten over hoe deze opbouw eruit moet zien. Daarom zal de rechtbank hierover een beslissing nemen.
3.3.7.
De rechtbank stelt voorop dat de minderjarige extra kwetsbaar is. Zij heeft het syndroom van Down, een vorm van hersenbeschadiging, spraakproblemen en een groei- en ontwikkelingsachterstand. Desondanks gaat het goed met de minderjarige en zijn partijen het erover eens dat zij een vrolijk kind is en goed kan aangeven of ze iets wel of niet leuk vindt. Voor de minderjarige zijn duidelijkheid en structuur belangrijk. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat de omgang tussen haar en de man snel wordt hersteld. Er is inmiddels al bijna een jaar geen contact geweest.
3.3.8.
De rechtbank is, met de raad, van oordeel dat de minderjarige de tijd moet krijgen om weer te wennen aan omgang met de man en het verblijven in zijn omgeving, maar dat deze wenperiode niet lang hoeft te duren. Weliswaar heeft de minderjarige de man enige tijd niet gezien, maar hij is geen vreemde voor haar.
3.3.9.
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen als volgt. De man heeft om de week in de even weekenden omgang met de minderjarige. Hierbij geldt de volgende opbouwregeling:
op zaterdag 30 november 2024 is dit van 12.00 uur tot 15.00 uur en zal de man met de minderjarige in de omgeving van de woonplaats van de vrouw blijven;
op zaterdag 14 december 2024 en zaterdag 28 december 2024 is dit van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man de minderjarige mee mag nemen naar zijn huis;
vanaf vrijdag 10 januari 2025 zal de minderjarige om de week in de even weekenden van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.30 uur bij de man zijn.
Voor alle genoemde tijden geldt dat dat het tijdstip is waarop de ene ouder de minderjarige overdraagt aan de andere ouder.
Vakanties en feestdagen
3.3.10.
De rechtbank zal daarnaast vaststellen dat de minderjarige bij de man is tijdens de helft van de vakanties en feestdagen. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man, maar dat wordt door de rechtbank verworpen. De vrouw heeft haar stelling dat verdeling van de vakanties niet mogelijk is omdat het kinderdagcentrum waar de minderjarige overdag verblijft, geen vakanties heeft, onvoldoende onderbouwd.
Conclusie
3.4.20.
Gezien het bovenstaande zal de rechtbank de behoefte van de minderjarige van € 504,- niet verhogen.
De behoefte van [voornaam minderjarige 2]
3.4.21.
De man heeft uit zijn huidige relatie met K.L. een dochter gekregen, [voornaam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] . De man en K.L. wonen niet samen. De man stelt primair dat hij maandelijks € 300,- onderhoudsbijdrage voor [voornaam minderjarige 2] betaalt aan K.L. De vrouw betwist niet dat de man een onderhoudsbijdrage verschuldigd is voor [voornaam minderjarige 2] , maar zij betwist wel de hoogte daarvan. Volgens de vrouw moet de onderhoudsbijdrage berekend worden op basis van de inkomens van de man en K.L. Omdat de man in zijn overgelegde berekening tot een lager bedrag komt dan de door hem gestelde € 300.-, is de rechtbank van oordeel dat deze € 300,- niet als uitgangspunt kan dienen. Daarom moet van [voornaam minderjarige 2] ook de behoefte vastgesteld worden. De rechtbank zal dat doen op dezelfde manier als omschreven in overweging 3.4.7, omdat de man en K.L. nooit met [voornaam minderjarige 2] in gezinsverband hebben samengeleefd.
3.4.22.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2024 op € 4.210,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over januari 2024):
- basisloon € 5.247,-
- IKB-budget € 894,61 (17,05% van het basisloon)
- tegemoetkoming ziektekosten € 27,-
- pensioenpremie € 418,82 (€ 409,81 + € 9,01)
De rechtbank merkt op dat partijen het eens zijn dat aan de man een IKB-budget toekomt. Op de salarisspecificatie van januari wordt daarvoor € 497,01 opgebouwd. Partijen rekenen zelf met een hoger bedrag. De rechtbank constateert dat dat verschil komt door de opname van het aanvullend geboorteverlof door de man in januari 2024. De rechtbank rekent daarom, in lijn met de berekening van partijen zelf, met het (vaste) IKB-percentage van 17,05%.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.4.23.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de berekening moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van K.L. van € 70.227,-. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van K.L. aan de hand van dit jaarinkomen op € 4.261,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.4.24.
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het Tremarapport en het ten aanzien van de minderjarige toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert hiervoor genoemd NBI van de man een bedrag op van € 630,- per maand en hiervoor genoemd NBI van K.L. een bedrag van € 637,- per maand. Het gemiddelde van deze bedragen is € 634,-, zodat de behoefte van [voornaam minderjarige 2] wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
3.4.25.
De man stelt dat de behoefte van [voornaam minderjarige 2] moet worden verhoogd met € 977,- aan kosten voor de kinderopvang. De vrouw betwist deze kosten. Omdat vast staat dat [voornaam minderjarige 2] (nog) niet naar de kinderopvang gaat en deze kosten dus niet daadwerkelijk worden gemaakt, zal de rechtbank de behoefte van [voornaam minderjarige 2] niet daarmee verhogen.
Draagkrachtberekening
3.4.26.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de desbetreffende ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun draagkracht.
3.4.27.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2024-2.
Draagkracht van de man
3.4.28.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bepaling van de draagkracht van de man zal worden gerekend met zijn salarisspecificatie van januari 2024. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2024 op € 3.964,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over januari 2024):
- basisloon € 5.247,-
- IKB-budget € 894,61 (17,05% van het basisloon)
- tegemoetkoming ziektekosten € 27,-
- pensioenpremie € 418,82 (€ 409,81 + € 9,01)
De rechtbank merkt op dat partijen het eens zijn dat aan de man een IKB-budget toekomt. Op de salarisspecificatie van januari wordt daarvoor € 497,01 opgebouwd. Partijen rekenen zelf met een hoger bedrag. De rechtbank constateert dat dat verschil komt door de opname van het aanvullend geboorteverlof door de man in januari 2024. De rechtbank rekent daarom, in lijn met de berekening van partijen zelf, met het (vaste) IKB-percentage van 17,05%.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.4.29.
De man stelt dat rekening moet worden gehouden met de aflossing van de volgende schulden die zijn draagkrachtloos inkomen zouden verhogen:
€ 248,- per maand ING
€ 300,- per maand Broer van de man
€ 125,- per maand SVGA +
€ 673,- per maand Totaal
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zijn eerder opgevoerde schuld aan DUO inmiddels is afbetaald, zodat hier geen rekening mee hoeft te worden gehouden.
De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat rekening moet worden gehouden met de schulden.
ING
3.4.30.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de schuld aan ING in 2021 is aangegaan voor de aankoop van goederen in de Verenigde Staten in het kader van zijn toen opgerichte bedrijf. De goederen werden later verstuurd dan gepland en op dat moment was de markt om de goederen door te verkopen al ingeklapt, aldus de man. De man heeft de goederen sindsdien opgeslagen.
3.4.31.
De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat de goederen niet konden worden teruggestuurd of voor een andere (lagere) prijs alsnog konden worden doorverkocht om zo (een deel van de) schuld af te betalen. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat deze schuld niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is, zodat met deze schuld geen rekening wordt gehouden.
Broer van de man
3.4.32.
De man stelt dat de schuld aan zijn broer het gevolg is van restschuld van de verkoop van de woning van de man in 2007. De man zou in de schuldsanering hebben gezeten, waarna zijn broer is aangesproken voor deze restschuld omdat hij garant stond. De huidige schuld aan zijn broer is de terugbetaling van deze restschuld.
3.4.33.
De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling een document genaamd ‘update leenovereenkomst’ overgelegd. Dit document is op 01-07-2023 ondertekend, terwijl de man verklaart dat de restschuld uit 2007 dateert.
Conclusie
3.4.35.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 1.054,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
3.4.36.
Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de vrouw. De man vindt dat van de aanslag inkomstenbelasting 2023 moet worden uitgegaan, omdat dat een aanzienlijk hoger bedrag is dan het inkomen van de vrouw in 2024 en zij niet aantoont waarom haar inkomen nu lager is. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van haar inkomensspecificatie over augustus 2024. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat het hogere inkomen in 2023 het gevolg was van een eenmalige nabetaling van het UWV, wat weer het gevolg was van een eerdere onterechte korting op haar uitkering. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw het verschil in inkomen voldoende heeft onderbouwd en ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitganspunt dat voor de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het huidige inkomen van de vrouw.
3.4.37.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2024 op € 3.097,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de inkomensspecificatie over augustus 2024):
- WIA-uitkering € 3.796,03
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
Hierbij is alleen de algemene heffingskorting in aanmerking genomen, omdat de vrouw niet werkt en daarom geen recht heeft op de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Tot slot is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 4.406,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.4.38.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 629,- per maand.
Draagkracht van K.L.
3.4.39.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van K.L. over het jaar 2024 op € 4.510,- per maand, waarbij rekening is gehouden met een jaarloon (op basis van de jaaropgave) van € 70.227,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
Tot slot is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 2.986,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.4.40.
De draagkracht van K.L. wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 1.321,- per maand
Toerekening van de draagkracht naar rato van ieders behoefte
3.4.41.
De rechtbank berekent hierna hoe de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de minderjarige en [voornaam minderjarige 2] toegerekend moet worden. De minderjarige en [voornaam minderjarige 2] hebben een totale behoefte van € 1.138,- per maand (€ 504,- voor de minderjarige en € 634,- voor [voornaam minderjarige 2] ).
3.4.42.
De toerekening van de draagkracht van de man wordt berekend volgens de formule: de behoefte van de minderjarige en [voornaam minderjarige 2] afzonderlijk, gedeeld door de totale behoefte vermenigvuldigd met de draagkracht van de man, ofwel:
voor de minderjarige: € 504,- / € 1.138,- x € 1.054,- = € 466,80
voor [voornaam minderjarige 2] : € 634,- / € 1.138,- x € 1.054,- = € 587,20 +
Samen de totale draagkracht van de man € 1.054,-
3.4.43.
De hele draagkracht van de vrouw van € 629,- per maand wordt toegerekend aan de minderjarige.
3.4.44.
De hele draagkracht van K.L. van € 1.321,- per maand wordt toegerekend aan [voornaam minderjarige 2] .
3.4.45.
De toegerekende draagkracht van de man voor [voornaam minderjarige 2] is € 587,20. De toegerekende draagkracht van K.L. voor [voornaam minderjarige 2] is € 1.321,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van de man en K.L. is hogere dan de behoefte van [voornaam minderjarige 2] .
Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man: € 587,20 / € 1.908,20 x € 634,- = € 195,10
het deel van K.L.: € 1.321,- / € 1.908,20 x € 634,- = € 438,90 +
totaal € 634 ,-
Het voorgaande betekent dat van de totale behoefte van [voornaam minderjarige 2] (afgerond) € 195,- voor rekening komt van de man en € 439,- voor rekening van K.L.
3.4.46.
De man houdt van zijn toegerekende draagkracht voor [voornaam minderjarige 2] een bedrag over van € 392,10 (€ 587,20 -/- € 195,10). Dit bedrag wordt overgeheveld naar de draagkracht voor de minderjarige. De draagkracht voor de minderjarige wordt dan afgerond € 662,- (€ 466,80 + € 195,-).
Draagkrachtvergelijking
3.4.47.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen voor de minderjarige hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 662,- / € 1.291,- x € 504,- = € 258,44
het deel van de vrouw bedraagt: € 629,- / € 1.291,- x € 504,- = € 245,56 +
samen € 504,-
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van afgerond € 258,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 246,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.4.48.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling van één weekend per 14 dagen en de helft van alle schoolvakanties stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.
3.4.49.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 504,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 126,- per maand.
3.4.50.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 132,- per maand.
Conclusie
3.4.51.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 132,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.52.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.5.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
3.5.1.
De vrouw stelt dat de man beschikt over spaargeld en dat zij recht heeft op de helft van dat spaargeld. De man betwist dat er spaargeld is dat in de huwelijksgemeenschap valt en verzoekt te bepalen dat, indien de banksaldi verdeeld moeten worden, de vrouw de helft van de schulden van de man moet dragen.
3.5.2.
Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).
3.5.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing (hierna het Verdrag). Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna meer dan één nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. In dat geval kan ingevolge de hoofdregel van artikel 15, lid 2 van het Verdrag geen aanknoping worden gezocht bij een van die nationaliteiten. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Omdat geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
3.5.4.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen. Zij zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat partijen in een beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
3.5.5.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding (op 14 juli 2023) verkregen, met uitzondering van dat wat wordt genoemd in artikel 1:94 lid 2 onder a tot en met c.
3.5.6.
Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de gemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de gemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden gemeenschap.
3.5.7.
De rechtbank overweegt dat voordat tot verdeling van een gemeenschap kan worden overgegaan, eerst moet worden vastgesteld wat de omvang is van de gemeenschap op de peildatum. Met andere woorden, als de vrouw de saldi op de (spaar)rekeningen wil verdelen, had zij (ook) inzicht moeten verschaffen over de saldi op haar (spaar)rekeningen. Het kan immers niet zo zijn dat alleen rekening wordt gehouden met de saldi op de (spaar)rekeningen van één van de partijen. Omdat de vrouw heeft nagelaten dit inzicht te verschaffen, heeft zij naar oordeel van de rechtbank haar verzoek onvoldoende onderbouwd. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen en daarmee komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de man.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te
[plaats] (Marokko);
4.2.
stelt in het kader van de zorgregeling vast dat:
de minderjarige bij de man zal zijn:
op zaterdag 30 november 2024 van 12.00 uur tot 15.00 uur, waarbij de man met de minderjarige in de omgeving van de woonplaats van de vrouw zal blijven;
op zaterdag 14 december 2024 en zaterdag 28 december 2024 van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man de minderjarige mee mag nemen naar zijn huis;
vanaf vrijdag 10 januari 2025 om de week in de even weekenden van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.30 uur;
tijdens de helft van de vakanties en feestdagen;
in de oneven jaren met het Suikerfeest en in de even jaren met het Offerfeest, in beide gevallen vanaf 16.00 uur de dag ervoor tot 17.30 uur op laatste dag.
waarbij:
voor alle genoemde tijden geldt dat dat het tijdstip is waarop de ene ouder de minderjarige overdraagt aan de andere ouder.
de vrouw de minderjarige telkens naar de man brengt en de man de minderjarige telkens terugbrengt naar de vrouw, met ingang van zaterdag 14 december 2024;
4.3.
bepaalt dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 150,- per keer dat zij de hiervoor onder 4.2. vastgestelde zorgregeling niet nakomt, met een maximumbedrag van € 25.000,-;
4.4.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 132,- per maand;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 20 november 2024.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat zij op andere manier is betekend en openlijk bekend gemaakt. Het beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
zaaknummer / rekestnummer: C/10/658251 / FA RK 23-3778 (echtscheiding)
C/10/689650 / FA RK 24-8617 (verdeling)
Beschikking van 20 november 2024 over de echtscheiding
in de zaak van partijen:
[naam vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. S. Karami te Amsterdam,
t e g e n
[naam 1 man]
, in de huwelijksakte ook aangeduid als: [naam 2 man],
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. M.S. Gerson te Amsterdam.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 mei 2023;
het verweerschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 31 augustus 2023;
het gewijzigd verzoek met bijlagen van de vrouw van 26 februari 2024;
het verweerschrift op het gewijzigd verzoek tevens zelfstandige verzoeken met bijlagen van de man van 25 maart 2024;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 13 oktober 2024;
de berichten (waarvan één met bijlagen) van de man van 5 februari 2024 en
10 oktober 2024.
Buiten de toegestane termijn zijn de volgende stukken overgelegd:
- de berichten met bijlagen van de vrouw van 17 en 22 oktober 2024.
1.2.
De man maakt bezwaar tegen de stukken van de vrouw van 17 en 22 oktober 2024, omdat de stukken te laat zijn overgelegd. De vrouw voert aan dat zij een aantal stukken al eerder heeft ingediend en dat het geen zware stukken zijn. De rechtbank laat de stukken niet toe. De stukken zijn buiten de daarvoor geldende termijn ingediend en niet voorzien van enige toelichting. Daarnaast zijn het stukken die eerder ingediend hadden kunnen worden, gezien de datum van de stukken zelf. Alles tezamen acht de rechtbank dat in strijd met de goede procesorde. Uitzondering hierop is productie 42. Dat stuk had gezien de datum niet eerder ingediend kunnen worden en de rechtbank is van oordeel dat de inhoud van dat stuk (een verslag van Enver) dermate relevant kan zijn voor de beoordeling dat dat stuk wel wordt toegelaten.
1.3.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2024 Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te [plaats] (Marokko) op [huwelijksdatum] .
2.2.
Het minderjarig kind van partijen is:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2018 te [geboorteplaats 1] .
2.3.
Partijen hebben beiden de Nederlands nationaliteit en de Marokkaanse nationaliteit.
2.4.
Bij beschikking van 12 oktober 2023 zijn door de rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen over de zorgregeling met de minderjarige en de kinderbijdrage.
2.5.
Bij beschikking van 11 september 2024 zijn de verzoeken om de getroffen voorlopige voorzieningen te wijzigen, afgewezen en zijn partijen verwezen naar het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling.
Beoordeling
3.1.
Scheiding
3.1.1.
Partijen verzoeken allebei de echtscheiding tussen hen uit te spreken. De vrouw stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en de man betwist dat niet.
3.1.2.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
3.1.3.
Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
3.1.4.
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Omdat het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd.
3.1.5.
Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd. Omdat tijdens de mondelinge behandeling voldoende is gebleken dat het voor partijen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.
3.1.6.
Het verzoek tot echtscheiding wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.
3.2.
Verblijfplaats
3.2.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij haar zal zijn.
3.2.2.
De man stemt in met het verzoek.
3.2.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 HKV 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.2.4.
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken, op de wet is gegrond en niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich hiertegen verzet.
3.3.
Zorgregeling
3.3.1.
De man verzoekt een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen, waarbij de minderjarige bij hem is:
om de week in een even weekend van vrijdag 16.00 uur tot en met zondag 17.30 uur;
de helft van de vakanties en feestdagen;
waarbij de vrouw de minderjarige naar de man brengt en de man de minderjarige na ommekomst van de omgang terugbrengt naar de vrouw; en
- in de oneven jaren met het Suikerfeest en in de even jaren met het Offerfeest, waarbij de vrouw de minderjarige de dag ervoor om 16.00 uur naar de man brengt en de man de minderjarige op de laatste dag om 17.30 uur terug zal brengen.
Daarnaast verzoekt de man de vrouw een dwangsom op te leggen van € 250,- met een maximum van € 250.000,- voor iedere keer en elke dag dat de vrouw de minderjarige niet naar de man brengt en/of wanneer zij niet thuis is voor het overdrachtsmoment na de omgang.
3.3.2.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.3.3.
Omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 HKV 1996 Nederlands recht op het verzoek toe.
3.3.4.
Op grond van artikel 827 Rv kan de rechtbank ingeval van een echtscheiding op verzoek van de gezaghebbende ouders of een van hen een zorgregeling vaststellen.
Reguliere zorgregeling
3.3.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man en de minderjarige sinds 4 januari 2024 geen contact meer hebben gehad. Tot die datum werd de voorlopige zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 12 oktober 2023 uitgevoerd. Over de redenen waarom de voorlopige zorgregeling niet meer is uitgevoerd lopen de meningen van partijen uiteen.
3.3.6.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw geen bezwaar heeft tegen het voorstel van de man over de reguliere zorgregeling, te weten dat de minderjarige bij de man is om de week in de even weekenden van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.30 uur. De man heeft op zijn beurt geen bezwaar tegen het opbouwen van de omgang, zoals de vrouw voorstelt. Partijen twisten over hoe deze opbouw eruit moet zien. Daarom zal de rechtbank hierover een beslissing nemen.
3.3.7.
De rechtbank stelt voorop dat de minderjarige extra kwetsbaar is. Zij heeft het syndroom van Down, een vorm van hersenbeschadiging, spraakproblemen en een groei- en ontwikkelingsachterstand. Desondanks gaat het goed met de minderjarige en zijn partijen het erover eens dat zij een vrolijk kind is en goed kan aangeven of ze iets wel of niet leuk vindt. Voor de minderjarige zijn duidelijkheid en structuur belangrijk. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van de minderjarige is dat de omgang tussen haar en de man snel wordt hersteld. Er is inmiddels al bijna een jaar geen contact geweest.
3.3.8.
De rechtbank is, met de raad, van oordeel dat de minderjarige de tijd moet krijgen om weer te wennen aan omgang met de man en het verblijven in zijn omgeving, maar dat deze wenperiode niet lang hoeft te duren. Weliswaar heeft de minderjarige de man enige tijd niet gezien, maar hij is geen vreemde voor haar.
3.3.9.
De rechtbank zal een zorgregeling vaststellen als volgt. De man heeft om de week in de even weekenden omgang met de minderjarige. Hierbij geldt de volgende opbouwregeling:
op zaterdag 30 november 2024 is dit van 12.00 uur tot 15.00 uur en zal de man met de minderjarige in de omgeving van de woonplaats van de vrouw blijven;
op zaterdag 14 december 2024 en zaterdag 28 december 2024 is dit van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man de minderjarige mee mag nemen naar zijn huis;
vanaf vrijdag 10 januari 2025 zal de minderjarige om de week in de even weekenden van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.30 uur bij de man zijn.
Voor alle genoemde tijden geldt dat dat het tijdstip is waarop de ene ouder de minderjarige overdraagt aan de andere ouder.
Vakanties en feestdagen
3.3.10.
De rechtbank zal daarnaast vaststellen dat de minderjarige bij de man is tijdens de helft van de vakanties en feestdagen. De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man, maar dat wordt door de rechtbank verworpen. De vrouw heeft haar stelling dat verdeling van de vakanties niet mogelijk is omdat het kinderdagcentrum waar de minderjarige overdag verblijft, geen vakanties heeft, onvoldoende onderbouwd.
Conclusie
3.4.20.
Gezien het bovenstaande zal de rechtbank de behoefte van de minderjarige van € 504,- niet verhogen.
De behoefte van [voornaam minderjarige 2]
3.4.21.
De man heeft uit zijn huidige relatie met K.L. een dochter gekregen, [voornaam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2024 te [geboorteplaats 2] . De man en K.L. wonen niet samen. De man stelt primair dat hij maandelijks € 300,- onderhoudsbijdrage voor [voornaam minderjarige 2] betaalt aan K.L. De vrouw betwist niet dat de man een onderhoudsbijdrage verschuldigd is voor [voornaam minderjarige 2] , maar zij betwist wel de hoogte daarvan. Volgens de vrouw moet de onderhoudsbijdrage berekend worden op basis van de inkomens van de man en K.L. Omdat de man in zijn overgelegde berekening tot een lager bedrag komt dan de door hem gestelde € 300.-, is de rechtbank van oordeel dat deze € 300,- niet als uitgangspunt kan dienen. Daarom moet van [voornaam minderjarige 2] ook de behoefte vastgesteld worden. De rechtbank zal dat doen op dezelfde manier als omschreven in overweging 3.4.7, omdat de man en K.L. nooit met [voornaam minderjarige 2] in gezinsverband hebben samengeleefd.
3.4.22.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2024 op € 4.210,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over januari 2024):
- basisloon € 5.247,-
- IKB-budget € 894,61 (17,05% van het basisloon)
- tegemoetkoming ziektekosten € 27,-
- pensioenpremie € 418,82 (€ 409,81 + € 9,01)
De rechtbank merkt op dat partijen het eens zijn dat aan de man een IKB-budget toekomt. Op de salarisspecificatie van januari wordt daarvoor € 497,01 opgebouwd. Partijen rekenen zelf met een hoger bedrag. De rechtbank constateert dat dat verschil komt door de opname van het aanvullend geboorteverlof door de man in januari 2024. De rechtbank rekent daarom, in lijn met de berekening van partijen zelf, met het (vaste) IKB-percentage van 17,05%.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.4.23.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de berekening moet worden uitgegaan van een jaarinkomen van K.L. van € 70.227,-. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van K.L. aan de hand van dit jaarinkomen op € 4.261,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
3.4.24.
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het Tremarapport en het ten aanzien van de minderjarige toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert hiervoor genoemd NBI van de man een bedrag op van € 630,- per maand en hiervoor genoemd NBI van K.L. een bedrag van € 637,- per maand. Het gemiddelde van deze bedragen is € 634,-, zodat de behoefte van [voornaam minderjarige 2] wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
3.4.25.
De man stelt dat de behoefte van [voornaam minderjarige 2] moet worden verhoogd met € 977,- aan kosten voor de kinderopvang. De vrouw betwist deze kosten. Omdat vast staat dat [voornaam minderjarige 2] (nog) niet naar de kinderopvang gaat en deze kosten dus niet daadwerkelijk worden gemaakt, zal de rechtbank de behoefte van [voornaam minderjarige 2] niet daarmee verhogen.
Draagkrachtberekening
3.4.26.
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarigen tussen de desbetreffende ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun draagkracht.
3.4.27.
Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen vastgesteld worden. Gezien de ingangsdatum van de vaststelling van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2024-2.
Draagkracht van de man
3.4.28.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bepaling van de draagkracht van de man zal worden gerekend met zijn salarisspecificatie van januari 2024. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man over het jaar 2024 op € 3.964,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de salarisspecificatie over januari 2024):
- basisloon € 5.247,-
- IKB-budget € 894,61 (17,05% van het basisloon)
- tegemoetkoming ziektekosten € 27,-
- pensioenpremie € 418,82 (€ 409,81 + € 9,01)
De rechtbank merkt op dat partijen het eens zijn dat aan de man een IKB-budget toekomt. Op de salarisspecificatie van januari wordt daarvoor € 497,01 opgebouwd. Partijen rekenen zelf met een hoger bedrag. De rechtbank constateert dat dat verschil komt door de opname van het aanvullend geboorteverlof door de man in januari 2024. De rechtbank rekent daarom, in lijn met de berekening van partijen zelf, met het (vaste) IKB-percentage van 17,05%.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
3.4.29.
De man stelt dat rekening moet worden gehouden met de aflossing van de volgende schulden die zijn draagkrachtloos inkomen zouden verhogen:
€ 248,- per maand ING
€ 300,- per maand Broer van de man
€ 125,- per maand SVGA +
€ 673,- per maand Totaal
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat zijn eerder opgevoerde schuld aan DUO inmiddels is afbetaald, zodat hier geen rekening mee hoeft te worden gehouden.
De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat rekening moet worden gehouden met de schulden.
ING
3.4.30.
De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de schuld aan ING in 2021 is aangegaan voor de aankoop van goederen in de Verenigde Staten in het kader van zijn toen opgerichte bedrijf. De goederen werden later verstuurd dan gepland en op dat moment was de markt om de goederen door te verkopen al ingeklapt, aldus de man. De man heeft de goederen sindsdien opgeslagen.
3.4.31.
De rechtbank overweegt dat niet is gebleken dat de goederen niet konden worden teruggestuurd of voor een andere (lagere) prijs alsnog konden worden doorverkocht om zo (een deel van de) schuld af te betalen. De rechtbank is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat deze schuld niet verwijtbaar en niet vermijdbaar is, zodat met deze schuld geen rekening wordt gehouden.
Broer van de man
3.4.32.
De man stelt dat de schuld aan zijn broer het gevolg is van restschuld van de verkoop van de woning van de man in 2007. De man zou in de schuldsanering hebben gezeten, waarna zijn broer is aangesproken voor deze restschuld omdat hij garant stond. De huidige schuld aan zijn broer is de terugbetaling van deze restschuld.
3.4.33.
De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling een document genaamd ‘update leenovereenkomst’ overgelegd. Dit document is op 01-07-2023 ondertekend, terwijl de man verklaart dat de restschuld uit 2007 dateert.
Conclusie
3.4.35.
De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 1.054,- per maand.
Draagkracht van de vrouw
3.4.36.
Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de vrouw. De man vindt dat van de aanslag inkomstenbelasting 2023 moet worden uitgegaan, omdat dat een aanzienlijk hoger bedrag is dan het inkomen van de vrouw in 2024 en zij niet aantoont waarom haar inkomen nu lager is. De vrouw stelt dat moet worden uitgegaan van haar inkomensspecificatie over augustus 2024. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw toegelicht dat het hogere inkomen in 2023 het gevolg was van een eenmalige nabetaling van het UWV, wat weer het gevolg was van een eerdere onterechte korting op haar uitkering. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw het verschil in inkomen voldoende heeft onderbouwd en ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitganspunt dat voor de berekening van de draagkracht wordt uitgegaan van het huidige inkomen van de vrouw.
3.4.37.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de vrouw over het jaar 2024 op € 3.097,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende gegevens (op basis van de inkomensspecificatie over augustus 2024):
- WIA-uitkering € 3.796,03
- vakantiegeld 8% op jaarbasis
Hierbij is alleen de algemene heffingskorting in aanmerking genomen, omdat de vrouw niet werkt en daarom geen recht heeft op de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Tot slot is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 4.406,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.4.38.
De draagkracht van de vrouw wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 629,- per maand.
Draagkracht van K.L.
3.4.39.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van K.L. over het jaar 2024 op € 4.510,- per maand, waarbij rekening is gehouden met een jaarloon (op basis van de jaaropgave) van € 70.227,-.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting
Tot slot is rekening gehouden met het kindgebonden budget van € 2.986,- per jaar, waar de vrouw gelet op haar inkomen recht op heeft.
3.4.40.
De draagkracht van K.L. wordt, omdat het NBI hoger is dan € 2.065,-, vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 1.270)] en bedraagt € 1.321,- per maand
Toerekening van de draagkracht naar rato van ieders behoefte
3.4.41.
De rechtbank berekent hierna hoe de draagkracht van de man naar rato van de behoefte van de minderjarige en [voornaam minderjarige 2] toegerekend moet worden. De minderjarige en [voornaam minderjarige 2] hebben een totale behoefte van € 1.138,- per maand (€ 504,- voor de minderjarige en € 634,- voor [voornaam minderjarige 2] ).
3.4.42.
De toerekening van de draagkracht van de man wordt berekend volgens de formule: de behoefte van de minderjarige en [voornaam minderjarige 2] afzonderlijk, gedeeld door de totale behoefte vermenigvuldigd met de draagkracht van de man, ofwel:
voor de minderjarige: € 504,- / € 1.138,- x € 1.054,- = € 466,80
voor [voornaam minderjarige 2] : € 634,- / € 1.138,- x € 1.054,- = € 587,20 +
Samen de totale draagkracht van de man € 1.054,-
3.4.43.
De hele draagkracht van de vrouw van € 629,- per maand wordt toegerekend aan de minderjarige.
3.4.44.
De hele draagkracht van K.L. van € 1.321,- per maand wordt toegerekend aan [voornaam minderjarige 2] .
3.4.45.
De toegerekende draagkracht van de man voor [voornaam minderjarige 2] is € 587,20. De toegerekende draagkracht van K.L. voor [voornaam minderjarige 2] is € 1.321,- per maand. De gezamenlijke draagkracht van de man en K.L. is hogere dan de behoefte van [voornaam minderjarige 2] .
Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, ofwel:
het deel van de man: € 587,20 / € 1.908,20 x € 634,- = € 195,10
het deel van K.L.: € 1.321,- / € 1.908,20 x € 634,- = € 438,90 +
totaal € 634 ,-
Het voorgaande betekent dat van de totale behoefte van [voornaam minderjarige 2] (afgerond) € 195,- voor rekening komt van de man en € 439,- voor rekening van K.L.
3.4.46.
De man houdt van zijn toegerekende draagkracht voor [voornaam minderjarige 2] een bedrag over van € 392,10 (€ 587,20 -/- € 195,10). Dit bedrag wordt overgeheveld naar de draagkracht voor de minderjarige. De draagkracht voor de minderjarige wordt dan afgerond € 662,- (€ 466,80 + € 195,-).
Draagkrachtvergelijking
3.4.47.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen voor de minderjarige hoger is dan de behoefte van de minderjarige moet de behoefte over partijen worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het deel van de man bedraagt: € 662,- / € 1.291,- x € 504,- = € 258,44
het deel van de vrouw bedraagt: € 629,- / € 1.291,- x € 504,- = € 245,56 +
samen € 504,-
Van de totale behoefte van de minderjarige komt dus een gedeelte van afgerond € 258,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 246,- per maand voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
3.4.48.
Gezien de nu vast te stellen zorgregeling van één weekend per 14 dagen en de helft van alle schoolvakanties stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarige. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.
3.4.49.
Omdat de behoefte van de minderjarige € 504,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 126,- per maand.
3.4.50.
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen hoger is dan de behoefte van de minderjarige, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 132,- per maand.
Conclusie
3.4.51.
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 132,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.
3.4.52.
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.
3.5.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
3.5.1.
De vrouw stelt dat de man beschikt over spaargeld en dat zij recht heeft op de helft van dat spaargeld. De man betwist dat er spaargeld is dat in de huwelijksgemeenschap valt en verzoekt te bepalen dat, indien de banksaldi verdeeld moeten worden, de vrouw de helft van de schulden van de man moet dragen.
3.5.2.
Omdat de Nederlandse rechter op grond van de Brussel II-ter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensstelsel van partijen (artikel 5 lid 1 Verordening huwelijksvermogensstelsels).
3.5.3.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing (hierna het Verdrag). Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna meer dan één nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag. In dat geval kan ingevolge de hoofdregel van artikel 15, lid 2 van het Verdrag geen aanknoping worden gezocht bij een van die nationaliteiten. Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd. Omdat geen van de uitzonderingen van artikel 4, lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4, lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.
3.5.4.
Partijen hebben geen huwelijkse voorwaarden laten opstellen. Zij zijn na 1 januari 2018 getrouwd. Dat betekent dat partijen in een beperkte gemeenschap van goederen zijn gehuwd.
3.5.5.
De gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, op grond van artikel 1:94 lid 2 BW alle goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle overige goederen van de echtgenoten, door ieder van hen afzonderlijk of door hen tezamen vanaf de aanvang van de gemeenschap tot haar ontbinding (op 14 juli 2023) verkregen, met uitzondering van dat wat wordt genoemd in artikel 1:94 lid 2 onder a tot en met c.
3.5.6.
Voor het saldo op een bankrekening wordt uitgegaan van de hoogte van het saldo op de datum dat de gemeenschap is ontbonden. De vordering op de bank (creditsaldo) of de schuld aan de bank (debetsaldo) per die datum valt in de gemeenschap. Af- en bijschrijvingen die zien op de periode hierna maken geen onderdeel uit van de ontbonden gemeenschap.
3.5.7.
De rechtbank overweegt dat voordat tot verdeling van een gemeenschap kan worden overgegaan, eerst moet worden vastgesteld wat de omvang is van de gemeenschap op de peildatum. Met andere woorden, als de vrouw de saldi op de (spaar)rekeningen wil verdelen, had zij (ook) inzicht moeten verschaffen over de saldi op haar (spaar)rekeningen. Het kan immers niet zo zijn dat alleen rekening wordt gehouden met de saldi op de (spaar)rekeningen van één van de partijen. Omdat de vrouw heeft nagelaten dit inzicht te verschaffen, heeft zij naar oordeel van de rechtbank haar verzoek onvoldoende onderbouwd. Het verzoek van de vrouw zal worden afgewezen en daarmee komt de rechtbank niet toe aan het voorwaardelijke verzoek van de man.
3.6.
Proceskosten
3.6.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te
[plaats] (Marokko);
4.2.
stelt in het kader van de zorgregeling vast dat:
de minderjarige bij de man zal zijn:
op zaterdag 30 november 2024 van 12.00 uur tot 15.00 uur, waarbij de man met de minderjarige in de omgeving van de woonplaats van de vrouw zal blijven;
op zaterdag 14 december 2024 en zaterdag 28 december 2024 van 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de man de minderjarige mee mag nemen naar zijn huis;
vanaf vrijdag 10 januari 2025 om de week in de even weekenden van vrijdag 16.00 uur tot zondag 17.30 uur;
tijdens de helft van de vakanties en feestdagen;
in de oneven jaren met het Suikerfeest en in de even jaren met het Offerfeest, in beide gevallen vanaf 16.00 uur de dag ervoor tot 17.30 uur op laatste dag.
waarbij:
voor alle genoemde tijden geldt dat dat het tijdstip is waarop de ene ouder de minderjarige overdraagt aan de andere ouder.
de vrouw de minderjarige telkens naar de man brengt en de man de minderjarige telkens terugbrengt naar de vrouw, met ingang van zaterdag 14 december 2024;
4.3.
bepaalt dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 150,- per keer dat zij de hiervoor onder 4.2. vastgestelde zorgregeling niet nakomt, met een maximumbedrag van € 25.000,-;
4.4.
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 132,- per maand;
4.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;
4.6.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.7.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 20 november 2024.
Tegen deze uitspraak kan binnen drie maanden na de dag van deze uitspraak door partijen hoger beroep worden ingesteld door indiening van een beroepschrift bij het gerechtshof Den Haag. Een in eerste aanleg niet verschenen partij kan hoger beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze uitspraak aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat zij op andere manier is betekend en openlijk bekend gemaakt. Het beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Beoordeling
De rechtbank wijst partijen er nadrukkelijk op dat zij bij de verdeling van vakanties rekening moeten houden met eventuele behandelingen of andere sessies bij het kinderdagcentrum die van belang zijn voor de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank spreekt het voor zich dat dat om goede afstemming tussen partijen vraagt.
Suikerfeest en Offerfeest
3.3.11.
Volgens de vrouw is het verzoek van de man over het Suikerfeest en Offerfeest niet haalbaar voor de minderjarige. Dat zou voor de minderjarige te druk zijn en haar te veel prikkels geven. De vrouw heeft inmiddels een manier gevonden om daarmee om te gaan, maar zij twijfelt of de man hiertoe in staat is. De rechtbank is, met de raad, van oordeel dat er geen indicaties zijn dat de man niet in staat is om tijdens deze dagen de rust en structuur te bieden die de minderjarige nodig heeft. De rechtbank zal daarom vaststellen dat de minderjarige bij de man is in de oneven jaren met het Suikerfeest en in de even jaren met het Offerfeest, in beide gevallen vanaf 16.00 uur de dag ervoor tot 17.30 uur op laatste dag.
Brengen en halen
3.3.12.
Het brengen en halen van de minderjarige houdt partijen ook verdeeld. De man stelt voor het brengen en halen te verdelen. Volgens de vrouw moet de man de minderjarige brengen en halen, omdat zij geen auto heeft. Bovendien heeft de vrouw rugklachten, waardoor zij in het geheel niet kan rijden, ook al zou zij een auto hebben. Volgens de vrouw is reizen met het openbaar vervoer geen optie omdat de minderjarige daardoor overprikkeld zou raken.
3.3.13.
De vrouw woont in Bergschenhoek en de man woont in Amsterdam. Ondanks deze afstand ligt het op de weg van beide partijen om ervoor te zorgen dat de minderjarige omgang heeft met beide ouders. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht is het in belang van de minderjarige dat beide ouders hun steentje bijdragen in het vervoer van de minderjarige. Op die manier ziet de minderjarige dat haar ouders samenwerken. Daarnaast straalt het vertrouwen uit in elkaar en laat het de minderjarige zien dat zij van ene ouder (emotionele) toestemming heeft om bij de andere ouder te zijn.
Dat de vrouw zelf geen auto heeft, mag niet voor rekening van de man komen, die overigens zelf ook onbetwist heeft gesteld dat hij geen auto heeft. Van beide partijen wordt verwacht dat zij, indien nodig, een alternatief zoeken om te zorgen dat de minderjarige op tijd bij de andere ouder is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de minderjarige telkens naar de man brengt en de man de minderjarige telkens terugbrengt naar de vrouw. Dit zal ingaan vanaf zaterdag 14 december 2024. Het contactmoment op 30 november 2024 vindt plaats in de omgeving van de woonplaats van de vrouw, waarbij de man zorgt dat de minderjarige op tijd terug is bij de vrouw.
Dwangsom
3.3.14.
Ten aanzien van de door de man verzochte dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 611a lid 1 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt (onder meer) dat de rechter op vordering van een van partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Een dwangsom kan ook in een verzoekschriftprocedure worden opgelegd.
3.3.15.
In de beschikking van 12 oktober 2023 is een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de man de minderjarige ophaalt bij de vrouw en de vrouw de minderjarige ophaalt bij de man. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat deze voorlopige zorgregeling na 4 januari 2024 niet meer is nagekomen. Over de precieze redenen hiervoor verschillen partijen van mening. Wel heeft de vrouw hierover gezegd dat zij op enig moment heeft besloten om de minderjarige niet meer aan de man mee te geven, tenzij de man bereid was om in afwijking van de voorlopige zorgregeling zowel het halen als het brengen voor zijn rekening te nemen. Omdat de man hiermee niet instemde, is de minderjarige na 4 januari 2024 niet meer bij de man geweest. Ook niet nadat in de beschikking van 11 september 2024 uitdrukkelijk is overwogen dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk moest worden hervat.
De stelling van de vrouw dat de man geen moeite heeft gedaan om de minderjarige te zien is door de man gemotiveerd betwist. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vrouw in het verleden aan het uitvoeren van de zorgregeling een eigen wending heeft gegeven en eenzijdig daarvan is afgeweken. Het uitgangspunt van alle rechtelijke uitspraken is dat deze moeten worden nagekomen door alle betrokken partijen. De stelling van advocaat van de vrouw, dat als de man wilde dat de vrouw de voorlopige zorgregeling na zou komen, hij in kort geding nakoming had moeten vorderen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook de wereld op zijn kop.
3.3.16.
De rechtbank ziet in het voorgaande voldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom. De rechtbank zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 150,- per keer dat de vrouw de hieronder opgenomen en vastgestelde zorgregeling niet nakomt, met een maximumbedrag van € 25.000,-.
Voortijdige beëindiging ouderschapsbemiddeling
3.3.17.
Partijen zijn bij beschikking van 11 september 2024 verwezen naar het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. Daarbij is ook aan de raad de voorwaardelijke opdracht gegeven om te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is, mocht het hulpverleningstraject voortijdig worden beëindigd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het hulpverleningstraject inderdaad voortijdig is beëindigd. Omdat de rechtbank zich voldoende ingelicht acht een eindbeschikking te geven, kan het raadsonderzoek achterwege blijven. De rechtbank zal de raad hierover informeren.
3.3.18.
De rechtbank merkt op dat de communicatie tussen partijen nog altijd moeizaam verloopt. Mede door de kwetsbaarheid van de minderjarige vanwege haar medische situatie en haar grote behoefte aan structuur en duidelijkheid is het van belang dat partijen met elkaar het gesprek aangaan en werken aan hun communicatie als ouders van de minderjarige. Als partijen daar zelf niet uitkomen, kunnen zij aan het wijkteam vragen of zij daarbij kunnen ondersteunen.
3.4.
Kinderbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 950,- per maand dan wel € 696,- per maand vast te stellen.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer en voert aan dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te betalen.
3.4.3.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage. De rechtbank zal op verzoek op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
3.4.4.
Op grond van de artikelen 1:404 en 1:406 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Komt een ouder die verplichting niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van de minderjarige zal moeten voldoen.
Beoordeling
De rechtbank wijst partijen er nadrukkelijk op dat zij bij de verdeling van vakanties rekening moeten houden met eventuele behandelingen of andere sessies bij het kinderdagcentrum die van belang zijn voor de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank spreekt het voor zich dat dat om goede afstemming tussen partijen vraagt.
Suikerfeest en Offerfeest
3.3.11.
Volgens de vrouw is het verzoek van de man over het Suikerfeest en Offerfeest niet haalbaar voor de minderjarige. Dat zou voor de minderjarige te druk zijn en haar te veel prikkels geven. De vrouw heeft inmiddels een manier gevonden om daarmee om te gaan, maar zij twijfelt of de man hiertoe in staat is. De rechtbank is, met de raad, van oordeel dat er geen indicaties zijn dat de man niet in staat is om tijdens deze dagen de rust en structuur te bieden die de minderjarige nodig heeft. De rechtbank zal daarom vaststellen dat de minderjarige bij de man is in de oneven jaren met het Suikerfeest en in de even jaren met het Offerfeest, in beide gevallen vanaf 16.00 uur de dag ervoor tot 17.30 uur op laatste dag.
Brengen en halen
3.3.12.
Het brengen en halen van de minderjarige houdt partijen ook verdeeld. De man stelt voor het brengen en halen te verdelen. Volgens de vrouw moet de man de minderjarige brengen en halen, omdat zij geen auto heeft. Bovendien heeft de vrouw rugklachten, waardoor zij in het geheel niet kan rijden, ook al zou zij een auto hebben. Volgens de vrouw is reizen met het openbaar vervoer geen optie omdat de minderjarige daardoor overprikkeld zou raken.
3.3.13.
De vrouw woont in Bergschenhoek en de man woont in Amsterdam. Ondanks deze afstand ligt het op de weg van beide partijen om ervoor te zorgen dat de minderjarige omgang heeft met beide ouders. Zoals de raad tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht is het in belang van de minderjarige dat beide ouders hun steentje bijdragen in het vervoer van de minderjarige. Op die manier ziet de minderjarige dat haar ouders samenwerken. Daarnaast straalt het vertrouwen uit in elkaar en laat het de minderjarige zien dat zij van ene ouder (emotionele) toestemming heeft om bij de andere ouder te zijn.
Dat de vrouw zelf geen auto heeft, mag niet voor rekening van de man komen, die overigens zelf ook onbetwist heeft gesteld dat hij geen auto heeft. Van beide partijen wordt verwacht dat zij, indien nodig, een alternatief zoeken om te zorgen dat de minderjarige op tijd bij de andere ouder is. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de vrouw de minderjarige telkens naar de man brengt en de man de minderjarige telkens terugbrengt naar de vrouw. Dit zal ingaan vanaf zaterdag 14 december 2024. Het contactmoment op 30 november 2024 vindt plaats in de omgeving van de woonplaats van de vrouw, waarbij de man zorgt dat de minderjarige op tijd terug is bij de vrouw.
Dwangsom
3.3.14.
Ten aanzien van de door de man verzochte dwangsom overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 611a lid 1 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt (onder meer) dat de rechter op vordering van een van partijen de wederpartij kan veroordelen tot betaling van een geldsom, dwangsom genaamd, voor het geval dat aan de hoofdveroordeling niet wordt voldaan. Een dwangsom kan ook in een verzoekschriftprocedure worden opgelegd.
3.3.15.
In de beschikking van 12 oktober 2023 is een voorlopige zorgregeling bepaald waarbij de man de minderjarige ophaalt bij de vrouw en de vrouw de minderjarige ophaalt bij de man. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat deze voorlopige zorgregeling na 4 januari 2024 niet meer is nagekomen. Over de precieze redenen hiervoor verschillen partijen van mening. Wel heeft de vrouw hierover gezegd dat zij op enig moment heeft besloten om de minderjarige niet meer aan de man mee te geven, tenzij de man bereid was om in afwijking van de voorlopige zorgregeling zowel het halen als het brengen voor zijn rekening te nemen. Omdat de man hiermee niet instemde, is de minderjarige na 4 januari 2024 niet meer bij de man geweest. Ook niet nadat in de beschikking van 11 september 2024 uitdrukkelijk is overwogen dat de zorgregeling zo spoedig mogelijk moest worden hervat.
De stelling van de vrouw dat de man geen moeite heeft gedaan om de minderjarige te zien is door de man gemotiveerd betwist. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de vrouw in het verleden aan het uitvoeren van de zorgregeling een eigen wending heeft gegeven en eenzijdig daarvan is afgeweken. Het uitgangspunt van alle rechtelijke uitspraken is dat deze moeten worden nagekomen door alle betrokken partijen. De stelling van advocaat van de vrouw, dat als de man wilde dat de vrouw de voorlopige zorgregeling na zou komen, hij in kort geding nakoming had moeten vorderen, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook de wereld op zijn kop.
3.3.16.
De rechtbank ziet in het voorgaande voldoende aanleiding voor het opleggen van een dwangsom. De rechtbank zal de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 150,- per keer dat de vrouw de hieronder opgenomen en vastgestelde zorgregeling niet nakomt, met een maximumbedrag van € 25.000,-.
Voortijdige beëindiging ouderschapsbemiddeling
3.3.17.
Partijen zijn bij beschikking van 11 september 2024 verwezen naar het hulpverleningstraject ouderschapsbemiddeling. Daarbij is ook aan de raad de voorwaardelijke opdracht gegeven om te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is, mocht het hulpverleningstraject voortijdig worden beëindigd. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat het hulpverleningstraject inderdaad voortijdig is beëindigd. Omdat de rechtbank zich voldoende ingelicht acht een eindbeschikking te geven, kan het raadsonderzoek achterwege blijven. De rechtbank zal de raad hierover informeren.
3.3.18.
De rechtbank merkt op dat de communicatie tussen partijen nog altijd moeizaam verloopt. Mede door de kwetsbaarheid van de minderjarige vanwege haar medische situatie en haar grote behoefte aan structuur en duidelijkheid is het van belang dat partijen met elkaar het gesprek aangaan en werken aan hun communicatie als ouders van de minderjarige. Als partijen daar zelf niet uitkomen, kunnen zij aan het wijkteam vragen of zij daarbij kunnen ondersteunen.
3.4.
Kinderbijdrage
3.4.1.
De vrouw verzoekt een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: kinderbijdrage) van € 950,- per maand dan wel € 696,- per maand vast te stellen.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer en voert aan dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de verzochte bijdrage te betalen.
3.4.3.
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft over het echtscheidingsverzoek, heeft hij ook rechtsmacht over het verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage. De rechtbank zal op verzoek op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
3.4.4.
Op grond van de artikelen 1:404 en 1:406 BW zijn ouders verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Komt een ouder die verplichting niet of niet behoorlijk na, dan kan de andere ouder de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder ten behoeve van de minderjarige zal moeten voldoen.
Beoordeling
3.4.5.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal overgaan tot het berekenen van de kinderbijdrage volgens de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport).
De ingangsdatum
3.4.6.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. De rechtbank zal bepalen dat de kinderbijdrage wordt vastgesteld met ingang van de datum van de beschikking, omdat er al een voorlopige bijdrage is bepaald.
De behoefte
3.4.7.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat zij nooit met de minderjarige in gezinsverband hebben samengeleefd. De rechtbank neemt daarom ter bepaling van de behoefte het gemiddelde van het eigen aandeel berekend op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen en het eigen aandeel berekend op basis van het NBI van de vrouw ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen. Partijen zijn het eens dat de relatie in 2020 is verbroken.
Bij deze berekening wordt rekening gehouden met de aanspraak op het kindgebonden budget en andere fiscale aanspraken waar de ouder recht op zou hebben gehad (ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen) in de fictieve situatie dat de minderjarige alleen bij die ouder zou zijn opgegroeid. Gelet hierop zal de rechtbank bij de berekening van het NBI van de man en de vrouw voor het bepalen van de behoefte van de minderjarige rekening houden met het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat het jaarinkomen van de man in 2020 € 55.404,- bedroeg. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2020 aan de hand van dit jaarinkomen op € 3.411,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat het jaarinkomen van de vrouw in 2020 € 44.171,- bedroeg. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2020 aan de hand van dit jaarinkomen op € 2.934,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.10.
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het Tremarapport en het ten aanzien van de minderjarige toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert hiervoor genoemd NBI van de man een bedrag op van € 468,- per maand en hiervoor genoemd NBI van de vrouw een bedrag van € 406,- per maand. Het gemiddelde van deze bedragen is € 437,-. Geïndexeerd naar 2024 levert dat op een bedrag van € 504,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
Extra kosten
3.4.11.
De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met extra kosten die zij maakt voor de minderjarige, in die zin dat de behoefte van de minderjarige moet worden verhoogd met deze kosten. De man voert gemotiveerd verweer per kostenpost. In het algemeen stelt de man dat de door vrouw opgevoerde kosten vergoed (kunnen) worden door de zorgverzekering en dat de vrouw voor al deze kosten al wordt gecompenseerd doordat zij dubbele kinderbijslag ontvangt, als gevolg van de medische situatie van de minderjarige. De rechtbank zal eerst de extra kosten hieronder per onderdeel bespreken.
Neuro-ontwikkelingstherapie
3.4.12.
De vrouw stelt € 120,- per maand aan kosten voor neuro-ontwikkelings-/psychotherapie voor de minderjarige te maken. De man betwist dat deze therapie medisch noodzakelijk is en voert aan dat, als dit al medisch noodzakelijk is, de vrouw hiervoor verzekerd is.
3.4.13.
De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om (meer) informatie te verstrekken over de (medische) noodzaak van de therapie. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling alleen een aantal facturen overgelegd uit de periodes 29 augustus 2022 tot en met 31 januari 2023 (zes facturen) en 27 februari 2024 tot en met 8 oktober 2024 (acht facturen). Uit deze facturen blijkt de noodzaak van deze therapie niet en ook niet of de therapie van tijdelijke aard is of onderdeel van een langdurig traject. De vrouw heeft de stelling dat deze kosten noodzakelijk zijn dan ook onvoldoende onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door de man. De rechtbank zal de behoefte van de minderjarige daarom niet verhogen met deze kosten.
Bril
3.4.14.
De vrouw stelt € 71,- per maand (€ 680,- per jaar aan aanschafkosten en € 14,- per maand verzekeringskosten) aan kosten voor een bril voor de minderjarige te maken. De man betwist dat er jaarlijks een nieuwe bril voor de minderjarige moet worden aangeschaft en voert daarnaast aan dat niet is aangetoond dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
3.4.15.
De rechtbank is van oordeel dat de dat de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door de man. De vrouw heeft ter onderbouwing een offerte van 12 april 2021 voor een bril overgelegd en een aantal facturen met daarop de omschrijving ‘abonnement maatbril’. Een daadwerkelijke factuur van de bril ontbreekt, terwijl het op de weg van de vrouw had gelegen om die te overleggen.
Een offerte uit 2021 is onvoldoende om te onderbouwen dat het om jaarlijks terugkerende kosten gaat, zoals de vrouw stelt. Met betrekking tot de door de vrouw gestelde verzekerings-/abonnementskosten is onduidelijk waar deze kosten op zien, nu de facturen alleen ‘abonnement maatbril’ vermelden. De rechtbank zal de behoefte van de minderjarige niet verhogen met deze kosten.
Homeopathie
3.4.16.
De vrouw stelt € 35,- per maand aan kosten voor homeopathische consulten voor de minderjarige te maken. De man betwist de noodzaak van de consulten en daarnaast dat de consulten structureel en maandelijks zijn.
3.4.17.
De rechtbank overweegt dat de vrouw acht facturen heeft overgelegd over de periode 9 november 2022 tot en met 4 oktober 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw daarmee onvoldoende onderbouwd dat de consulten noodzakelijk en structureel zijn en zo ja, in welke frequentie de consulten plaatsvinden. Daarbij komt dat de facturen wisselende bedragen bevatten, terwijl de vrouw niet heeft onderbouwd hoe dat leidt tot een bedrag van € 35,- per maand. De rechtbank zal de behoefte van de minderjarige niet verhogen met deze kosten.
Chiropractor
3.4.18.
De vrouw stelt € 180,- per maand aan kosten voor de chiropractor voor de minderjarige te maken.
Beoordeling
3.4.5.
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal overgaan tot het berekenen van de kinderbijdrage volgens de aanbevelingen opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport).
De ingangsdatum
3.4.6.
Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden vastgesteld. De rechtbank zal bepalen dat de kinderbijdrage wordt vastgesteld met ingang van de datum van de beschikking, omdat er al een voorlopige bijdrage is bepaald.
De behoefte
3.4.7.
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat zij nooit met de minderjarige in gezinsverband hebben samengeleefd. De rechtbank neemt daarom ter bepaling van de behoefte het gemiddelde van het eigen aandeel berekend op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen en het eigen aandeel berekend op basis van het NBI van de vrouw ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen. Partijen zijn het eens dat de relatie in 2020 is verbroken.
Bij deze berekening wordt rekening gehouden met de aanspraak op het kindgebonden budget en andere fiscale aanspraken waar de ouder recht op zou hebben gehad (ten tijde van het verbreken van de relatie van partijen) in de fictieve situatie dat de minderjarige alleen bij die ouder zou zijn opgegroeid. Gelet hierop zal de rechtbank bij de berekening van het NBI van de man en de vrouw voor het bepalen van de behoefte van de minderjarige rekening houden met het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat het jaarinkomen van de man in 2020 € 55.404,- bedroeg. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de man over het jaar 2020 aan de hand van dit jaarinkomen op € 3.411,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de arbeidskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.9.
Tussen partijen is niet in geschil dat het jaarinkomen van de vrouw in 2020 € 44.171,- bedroeg. De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het netto besteedbaar inkomen van de vrouw over het jaar 2020 aan de hand van dit jaarinkomen op € 2.934,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:
- de algemene heffingskorting;
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting.
3.4.10.
Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het Tremarapport en het ten aanzien van de minderjarige toepasselijke aantal kinderbijslagpunten (4), levert hiervoor genoemd NBI van de man een bedrag op van € 468,- per maand en hiervoor genoemd NBI van de vrouw een bedrag van € 406,- per maand. Het gemiddelde van deze bedragen is € 437,-. Geïndexeerd naar 2024 levert dat op een bedrag van € 504,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op laatstgenoemd bedrag.
Extra kosten
3.4.11.
De vrouw stelt dat rekening moet worden gehouden met extra kosten die zij maakt voor de minderjarige, in die zin dat de behoefte van de minderjarige moet worden verhoogd met deze kosten. De man voert gemotiveerd verweer per kostenpost. In het algemeen stelt de man dat de door vrouw opgevoerde kosten vergoed (kunnen) worden door de zorgverzekering en dat de vrouw voor al deze kosten al wordt gecompenseerd doordat zij dubbele kinderbijslag ontvangt, als gevolg van de medische situatie van de minderjarige. De rechtbank zal eerst de extra kosten hieronder per onderdeel bespreken.
Neuro-ontwikkelingstherapie
3.4.12.
De vrouw stelt € 120,- per maand aan kosten voor neuro-ontwikkelings-/psychotherapie voor de minderjarige te maken. De man betwist dat deze therapie medisch noodzakelijk is en voert aan dat, als dit al medisch noodzakelijk is, de vrouw hiervoor verzekerd is.
3.4.13.
De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen om (meer) informatie te verstrekken over de (medische) noodzaak van de therapie. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling alleen een aantal facturen overgelegd uit de periodes 29 augustus 2022 tot en met 31 januari 2023 (zes facturen) en 27 februari 2024 tot en met 8 oktober 2024 (acht facturen). Uit deze facturen blijkt de noodzaak van deze therapie niet en ook niet of de therapie van tijdelijke aard is of onderdeel van een langdurig traject. De vrouw heeft de stelling dat deze kosten noodzakelijk zijn dan ook onvoldoende onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door de man. De rechtbank zal de behoefte van de minderjarige daarom niet verhogen met deze kosten.
Bril
3.4.14.
De vrouw stelt € 71,- per maand (€ 680,- per jaar aan aanschafkosten en € 14,- per maand verzekeringskosten) aan kosten voor een bril voor de minderjarige te maken. De man betwist dat er jaarlijks een nieuwe bril voor de minderjarige moet worden aangeschaft en voert daarnaast aan dat niet is aangetoond dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.
3.4.15.
De rechtbank is van oordeel dat de dat de vrouw haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting hiervan door de man. De vrouw heeft ter onderbouwing een offerte van 12 april 2021 voor een bril overgelegd en een aantal facturen met daarop de omschrijving ‘abonnement maatbril’. Een daadwerkelijke factuur van de bril ontbreekt, terwijl het op de weg van de vrouw had gelegen om die te overleggen.
Een offerte uit 2021 is onvoldoende om te onderbouwen dat het om jaarlijks terugkerende kosten gaat, zoals de vrouw stelt. Met betrekking tot de door de vrouw gestelde verzekerings-/abonnementskosten is onduidelijk waar deze kosten op zien, nu de facturen alleen ‘abonnement maatbril’ vermelden. De rechtbank zal de behoefte van de minderjarige niet verhogen met deze kosten.
Homeopathie
3.4.16.
De vrouw stelt € 35,- per maand aan kosten voor homeopathische consulten voor de minderjarige te maken. De man betwist de noodzaak van de consulten en daarnaast dat de consulten structureel en maandelijks zijn.
3.4.17.
De rechtbank overweegt dat de vrouw acht facturen heeft overgelegd over de periode 9 november 2022 tot en met 4 oktober 2024. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw daarmee onvoldoende onderbouwd dat de consulten noodzakelijk en structureel zijn en zo ja, in welke frequentie de consulten plaatsvinden. Daarbij komt dat de facturen wisselende bedragen bevatten, terwijl de vrouw niet heeft onderbouwd hoe dat leidt tot een bedrag van € 35,- per maand. De rechtbank zal de behoefte van de minderjarige niet verhogen met deze kosten.
Chiropractor
3.4.18.
De vrouw stelt € 180,- per maand aan kosten voor de chiropractor voor de minderjarige te maken.