Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-20
ECLI:NL:RBROT:2024:13815
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,273 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/674198 / FA RK 24-1378
Beschikking van 20 december 2024 over het ouderlijk gezag
in de zaak van:
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg te Rotterdam,
t e g e n
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 20 februari 2024;
het bericht met bijlagen van de vrouw van 5 maart 2024;
het bericht van de man van 15 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 november 2024. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .
De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.
1.3.
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft de rechtbank schriftelijk laten weten dat hij geen mening heeft.
2De vaststaande feiten
2.1.
Het huwelijk van partijen is op 4 maart 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 23 februari 2015 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .
2.3.
Het ouderlijk gezag over de minderjarige wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.4.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 23 en 26 januari 2015 hebben ondertekend. Het ouderschapsplan is gehecht aan de echtscheidingsbeschikking van 23 februari 2015. Partijen zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de minderjarige om het weekend bij de man zal verblijven van vrijdag 18.30 uur tot zondag 18.30 uur. Daarbij is afgesproken dat de minderjarige tijdens de zomervakantie drie weken bij elk van de ouders zal verblijven en dat de kerstvakantie bij de helfte zal worden verdeeld. De overige vakanties zullen in onderling overleg worden verdeeld.
2.5.
De minderjarige woont bij de vrouw.
Beoordeling
3.1.
Gezag
3.1.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarige alleen aan haar toekomt.
3.1.2.
De man verweert zich niet tegen het verzoek.
3.1.3.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.1.4.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.1.5.
De vrouw heeft onweersproken gesteld dat de zorgregeling uit het ouderschapsplan maar korte tijd heeft gelopen. De man heeft de zorgregeling in 2016 stopgezet. Na bemiddeling van de Kinderpraktijk is het contact tussen de man en de minderjarige in 2020 hersteld. De man heeft dat contact na acht maanden wederom stopgezet. Sindsdien is er geen contact meer geweest tussen de man en de minderjarige. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden en is de vrouw ontvankelijk in haar verzoek. Dat betekent dat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling of er een reden is voor beëindiging van het gezamenlijk gezag.
3.1.6.
De vrouw voert onweersproken aan dat de man niet betrokken is bij de minderjarige en dat hij niet op de hoogte is van wat speelt in het leven van de minderjarige. De man heeft in 2020 voor het laatst contact gehad met de minderjarige. De man en de vrouw communiceren vrijwel niet met elkaar. Sinds enkele jaren loopt de vrouw tegen problemen aan bij de uitvoering van het gezamenlijk ouderlijk gezag. De man weigert telkens toestemming te geven voor gezagsbeslissingen of wil deze toestemming alleen verlenen onder de voorwaarde dat de vrouw het incassotraject bij het LBIO stopzet. Zo gaf de man geen toestemming voor de aanmelding van de minderjarige op een nieuwe school en weigerde hij zijn toestemming te verlenen voor een vakantie in het buitenland. Daarnaast heeft de vrouw, doordat de man toestemming weigerde, ook problemen gehad bij het starten van hulpverlening en de aanvraag van een persoonsgebonden budget voor de minderjarige, waardoor de minderjarige langer op hulpverlening heeft moeten wachten dan nodig.
De rechtbank is van oordeel dat de man, door het onthouden van toestemming of het verbinden van voorwaarden daaraan, de minderjarige in de positie brengt dat hij klem of verloren zal raken tussen de ouders. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , voortaan aan de vrouw toekomt;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
4.4.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 20 december 2024.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.