Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-11
ECLI:NL:RBROT:2024:13814
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,636 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 3
Parketnummer: 10/153610-23
Datum uitspraak: 11 december 2024
Tegenspraak
Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] [postcode] [woonplaats] ,
raadsman mr. V.R.C. Shukrula, advocaat te Amsterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 11 december 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Procesafspraken
De officier van justitie en de verdachte hebben procesafspraken gemaakt. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming daarvan. De procesafspraken zijn voorafgaand aan de terechtzitting naar de rechtbank gestuurd. Tijdens de inhoudelijke behandeling zijn de gemaakte afspraken met de verdachte en zijn raadsman besproken. De verdachte heeft verklaard dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke
informatie en – terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen – is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om akkoord te gaan met het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
Ter terechtzitting hebben de verdachte en de officier van justitie bevestigd dat het om de volgende afspraken gaat:
- het openbaar ministerie zal requireren tot een bewezenverklaring en kwalificatie
van feit 1 en feit 2;
- het openbaar ministerie zal requireren tot een strafoplegging als hieronder
weergegeven;
- de verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt al ingediende
onderzoekswensen uiterlijk ter terechtzitting en bij voorkeur al eerder schriftelijk in;
- door de verdediging worden geen bewijsverweren gevoerd;
- door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld
indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de
tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
4Eis officier van justitie en standpunt verdediging
De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd:
bewezenverklaring van feit 1 en feit 2;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden onvoorwaardelijk.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan de inhoud van de procesafspraken en de rechtbank verzocht deze te volgen.
5Waardering van het bewijs
5.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Nu de verdediging geen verweer heeft gevoerd en de rechtbank het onder 1 en 2 ten laste gelede op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen acht, zullen deze feiten zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
Dit betekent dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
1
hij in de periode van 18 mei 2020 tot en met 19 mei 2020 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor
te bereiden en te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet,
- het opzettelijk vervoeren van 550 kilogram cocaïne,- een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
door
- met één mededader (via een Sky-chat) contacten te onderhouden en
informatie uit te wisselen en de locatie van container [containernummer] , en
- ( tijdens zijn werkzaamheden als reefermonteur) op de Rotterdam World Gateway
terminal (gelegen aan de [adres 2] ) (naar) de container [containernummer] te zoeken en deze te lokaliseren, en- geld te ontvangen, althans in het vooruitzicht gesteld te krijgen;
2
hij op tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 18 mei 2020
anders dan als ambtenaar, te weten als reefermonteur, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Seamark, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan , éénmaal een belofte (van geld) heeft aangenomen, terwijl hij verdachte dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de redengevende inhoud van het voorgaande en op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.
6Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
1. medeplegen om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor
te bereiden en te bevorderen, een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit
trachten te verschaffen;
2 het anders dan als ambtenaar, werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van
hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan, een belofte
aannemen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
7Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
8.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
8.2.
Feiten
De verdachte heeft zich in 2020 schuldig gemaakt aan het voorbereiden en bevorderen van de invoer van een grote partij cocaïne binnen het grondgebied van Nederland.
De verdachte, werkzaam als reefermonteur bij een transportbedrijf in de Rotterdamse haven, heeft tijdens zijn werkzaamheden informatie ingewonnen en die informatie gedeeld met zijn mededader(s) waardoor uiteindelijk 550 kilo cocaïne is ingevoerd.
Deze voorbereidingshandelingen zijn noodzakelijk om de daadwerkelijke invoer van cocaïne te realiseren. Daarmee heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan de handel in cocaïne. Het is algemeen bekend dat de invoer van cocaïne en de handel daarin een ontwrichtende invloed hebben op de samenleving. Niet alleen de gezondheid en het welzijn van de bevolking worden door deze handel nadelig beïnvloed, ook de algemene veiligheid van de maatschappij en het financiële stelsel wordt aangetast. De verdachte heeft zich hier niets aan gelegen laten liggen.
Daarnaast heeft de verdachte zich laten omkopen waardoor hij het in hem door zijn werkgever gestelde vertrouwen ernstig heeft geschaad. Ook dat gevolg heeft de verdachte voor lief genomen.
Kennelijk was de verdachte uitsluitend uit op eigen financieel gewin, want het is algemeen bekend dat er grof geld betaald wordt voor dergelijke informatie. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
8.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 november 2024 waaruit blijkt dat de verdachte op 14 juni 2023 door deze rechtbank voor soortgelijke feiten is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaar. De verdachte was voor deze straf gedetineerd tot en met 13 september 2024. De feiten op grond waarvan voornoemde straf is opgelegd, hebben plaatsgevonden in februari 2020. Door een administratieve onvolkomenheid bij het parket van de officier van justitie zijn de onderhavige feiten echter niet tegen dezelfde datum aangebracht.
8.4.
Conclusie
De in de procesafspraken overeengekomen gevangenisstraf van 18 maanden doet, mede gelet op de omstandigheid dat is gekozen voor het maken van procesafspraken, in voldoende mate recht aan de ernst van de misdrijven en is een redelijke straf in deze zaak voor deze verdachte. Dit geldt eens te meer omdat deze feiten reeds bij de eerdere strafzaak - waarvan de uitspraak op 14 juni 2023 heeft plaatsgevonden - hadden kunnen worden meegenomen. Bovendien had dit ten gunste van de verdachte tot gevolg gehad dat hij zijn straf in één keer zonder onderbreking had kunnen uitzitten, hetgeen nu niet het geval is.
Alles afwegend acht de rechtbank de overeengekomen straf passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 47, 57, 63 en 328ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. Putters, voorzitter,
en mrs. J.L. Luiten en J.A. Terstegge, rechters,
in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2020 tot en met 19 mei 2020 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor
te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, waaronder zoals bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of
- het opzettelijk afleveren, verstrekken en/of vervoeren van 550 kilogram cocaïne, in elk geval een (handels)hoeveelheid van een middel bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, in elk geval een (handels)hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te
plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit,
door
- met één of meer mededader(s) (via een Sky-chat) contacten te onderhouden en/of
informatie uit te wisselen en/of afspraken te maken over het afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of de locatie van container [containernummer] , en/of
- ( tijdens zijn werkzaamheden als reefermonteur) op de Rotterdam World Gateway
terminal (gelegen aan de [adres 2] ) (naar) de container [containernummer] te zoeken en/of te lokaliseren, en/of
- geld te ontvangen, althans in het vooruitzicht gesteld te krijgen;
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 18 mei 2020
anders dan als ambtenaar, te weten als reefermonteur, werkzaam zijnde in dienstbetrekking bij Seamark, naar aanleiding van hetgeen hij, verdachte, in strijd met zijn plicht in zijn betrekking heeft gedaan of nagelaten dan wel zou doen of nalaten, (meermalen, althans éénmaal) een gift (te weten geld) en/of een belofte (van geld) heeft aangenomen, terwijl hij verdachte dit aannemen in strijd met de goede trouw heeft verzwegen tegenover zijn werkgever.