Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-13
ECLI:NL:RBROT:2024:13809
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,522 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11072010 CV EXPL 24-11354
datum uitspraak: 13 december 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1
[eiser 1], en
2. [eiser 2],
woonplaats: Mijnsheerenland, gemeente Hoeksche Waard,
eisers,
gemachtigde: mr. C. Jorritsma,
tegen
VORM 6D Wonen B.V.,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigden: mr. I.L. van Willegen en mr. S.A. van Gemeren.
De partijen worden hierna ‘[eiser 1]’, ‘[eiser 2]’ en ‘VORM’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 april 2024, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de brief van VORM van 29 oktober 2024, met een bijlage;
de brief van [eiser 1] en [eiser 2] van 30 oktober 2024, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van partijen.
1.2.
Op 11 november 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig [eiser 1] en [eiser 2], met hun gemachtigde en namens VORM
[naam 1] en [naam 2] met de gemachtigden.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
In opdracht van [eiser 1] en [eiser 2] heeft VORM een woning gebouwd, die in juli 2022 is opgeleverd. Bij de woning hoort een halfsteens gemetselde berging met een plat dak. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is in de berging sprake van ernstige vochtoverlast, waardoor deze niet kan worden gebruikt op een wijze die zij hadden mogen verwachten. Zij verwijten VORM dat de berging niet voldoet aan de overeenkomst, dat dus sprake is van wanprestatie en dat VORM daarom herstelkosten, gevolgschade en expertisekosten van totaal € 9.052,73 moet vergoeden. VORM is het hiermee niet eens. De vordering wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wanprestatie?
2.2.
Vaststaat dat de berging voldoet aan dat wat in het toepasselijke artikel 5.3 van de Technische Omschrijving staat beschreven: ‘Bij de woning wordt een gemetselde berging gerealiseerd. De metselwerkberging heeft een geïsoleerde geprefabriceerde betonnen ribbenvloer en wordt opgeleverd met sectionaaldeur en een kozijn met loopdeur. De loopdeur is uitgevoerd met blank glas. Het kozijn met de loopdeur wordt uitgevoerd in hardhout en dekkend geschilderd. Het dak is opgebouwd met een houten balklaag.’
Gesteld is echter dat het uitgevoerde werk niet zou voldoen aan de eisen van goed en deugdelijk werk. [eiser 1] en [eiser 2] baseren deze stelling op een conclusie in het rapport van ZNEB, dat in hun opdracht is opgemaakt. VORM heeft er echter terecht op gewezen dat die conclusie is getrokken op basis van bouwtechnische adviezen uit het Technische ABC van Woningborg en dat deze garantie- en waarborgregeling niet is overeengekomen. Die kwaliteitseisen zijn (dus) niet bepalend. Daarbij komt dat in genoemd rapport ook is geconcludeerd dat de berging voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit wat betreft regenwerendheid. Diezelfde vaststelling wordt gedaan in het door VORM overgelegde deskundigenbericht in een zaak die door een buurman van [eiser 1] en [eiser 2] aanhangig is gemaakt bij de Stichting Geschillencommissie Garantiewoningen in verband met dezelfde vochtproblematiek in de berging. Die deskundige heeft gemotiveerd gesteld dat de aanwezige ventilatieopeningen in de berging ruim voldoende zijn en geconcludeerd dat er geen strijdigheden zijn met de toepasselijke voorschriften, waaronder NEN 2778 en de daarop gebaseerde uitleg van het begrip regenwerendheid, en voldaan is aan de Technische Omschrijving.
2.3.
Gesteld is verder dat [eiser 1] en [eiser 2] een berging zonder vochtdoorslag mochten verwachten, maar de enkele omstandigheid dat in de Technische Omschrijving bij een houten berging melding wordt gemaakt van de mogelijkheid van vochtdoorslag en bij de gemetselde berging niet, brengt niet mee dat sprake is van een gerechtvaardigde verwachting dat vochtdoorslag bij een halfsteens gemetselde berging niet kan en mag plaatsvinden. In dit verband is van betekenis dat op de overeenkomst van toepassing is de SWK Garantie- en waarborgregeling 2020 en het bijbehorende Garantiesupplement, waaronder Module I E, waarin in artikel 2 lid 13 condensvorming en de schadelijke gevolgen ervan, voor zover niet veroorzaakt door een technisch onjuiste constructie, van garantie is uitgesloten.
2.4.
Gelet op een en ander wordt geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat VORM toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen, omdat de berging is opgeleverd in overeenstemming met de overeenkomst, de daarop toepasselijke Technische Omschrijving en het Bouwbesluit. Er is dus geen grond om de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] toe te wijzen. Deze wordt dus afgewezen, net zoals de daaraan verbonden nevenvorderingen.
Proceskosten
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser 1] en [eiser 2], omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt de kosten die zij aan VORM moeten betalen vast op € 678,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 339,-) en
€ 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 813,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, die aan de kant van VORM worden vastgesteld op € 813,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
465