Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-20
ECLI:NL:RBROT:2024:13774
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,674 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/682497 / JE RK 24-1525
Datum uitspraak: 20 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de tussenbeschikking van 3 december 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
Op 20 december 2024 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder bijgestaan door mr. A.L. Witteveen, waarnemend voor mr. F. Pool;
de vader;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] . De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de vader.
2.3.
Omdat [voornaam minderjarige 1] sinds kort ook bij de vader verblijft en het verzoek van de GI ziet op verlenging daarvan, merkt de kinderrechter de vader ook als belanghebbende ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] aan.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 8 maart 2024 [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 8 maart 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 december 2024 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] bij de vader (met gezag) verlengd tot 8 januari 2025. Tevens heeft de kinderrechter bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] verleend bij de vader (zonder gezag) met ingang van 3 december 2024 tot 8 januari 2025. De beslissing op het overig verzochte is aangehouden.
3Het gewijzigde en aangehouden verzoek
3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een voorziening voor netwerkpleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Tevens verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader zonder gezag, voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Reeds is op dit verzoek beslist voor de duur van drie maanden waarbij het restant werd aangehouden.
3.2.
Bij brief van 14 november 2024 heeft de GI het verzoek gewijzigd, in die zin dat de GI ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] verzoekt om een machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader (zonder gezag), te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.3.
Reeds is deels op dit verzoek beslist bij de hierboven vermelde beschikking van 3 december 2024. Thans dient beslist te worden op het verzoek voor zover dat ziet op de periode tot 8 maart 2025.
3.4.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige 1] verblijft inmiddels, net als [voornaam minderjarige 2] , bij de vader en dit verloopt goed. Bovendien lijkt het contact tussen de moeder en de vader te zijn verbeterd, waardoor het nu mogelijk is om richting het afsluiten van de kinderbeschermingsmaatregelen te gaan. De komende periode zal gemonitord worden hoe de situatie zich ontwikkelt als de ouders nog ergens tegenaan lopen. Het plan is om bij voortzetting van de huidige positieve lijn na maart 2025 geen verlenging van de maatregelen te verzoeken. GezinTotaal zal dan doorgaan in het vrijwillige kader. De ouders hebben aangegeven bereid te zijn hieraan mee te werken.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder is het ermee eens dat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] bij de vader verblijven. De moeder is het er ook mee eens dat de vader mede wordt belast met het gezag over [voornaam minderjarige 1] en dat hebben de ouders ook al geregeld. De ouders zijn voornemens om de kinderen bij de vader in te laten schrijven. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is daarom te vergaand en in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
5Het standpunt van de vader
5.1.
Door de vader wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De vader is positief verrast over hoe goed [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op elkaar reageren nu zij samen in één huis wonen. De situatie verloopt beter dan verwacht en het is duidelijk dat de kinderen elkaar gemist hebben. GezinTotaal verloopt goed en het is positief dat zij kunnen blijven komen, zeker nu [voornaam minderjarige 1] pas recent bij de vader is gaan wonen.
Beoordeling
6.1.
Op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting overweegt de kinderrechter het volgende. Sinds augustus 2024 woont [voornaam minderjarige 2] bij de vader en zeer recent is ook [voornaam minderjarige 1] bij hem komen wonen. De situatie is nog erg pril, maar het verloopt tot op heden goed. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] kennen een belast verleden en hebben veel meegemaakt. Het is belangrijk dat zij zich goed verder kunnen ontwikkelen en een stabiele basis hebben van waaruit dat kan. De kinderrechter acht het van belang dat de huidige situatie waarbij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de vader verblijven wordt voortgezet. De moeder heeft wekelijks contact met de kinderen en helpt waar het kan. De moeder werkt hard aan zichzelf. Het is positief dat het contact tussen de ouders steeds beter verloopt én dat dit ook zo wordt gevoeld door [voornaam minderjarige 1] , zoals blijkt uit het gesprek dat de kinderrechter met haar heeft gevoerd. Beide ouders staan erachter dat de kinderen bij de vader verblijven. De ouders zijn voornemens om de kinderen bij de vader te laten inschrijven. De ouders zouden het gezamenlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] hebben geregeld, maar dat kan de kinderrechter niet verifiëren omdat dat (nog) niet blijkt uit het gezagsregister. Indien dit onverhoopt nog niet is gebeurd, is het van belang dat dit alsnog wordt geregeld. Van belang voor de komende periode is dat de ouders de positieve lijn voortzetten en de belangrijke zaken omtrent de kinderen nog goed regelen, zodat kan worden toegewerkt naar de afronding van de kinderbeschermingsmaatregelen op zeer korte termijn. Tot die tijd acht de kinderrechter voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de vader aangewezen.
6.2.
Gelet op het vorenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] . De machtiging zal worden verlengd tot 8 maart 2025.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] bij de vader tot 8 maart 2025;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2024 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek.