Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-12
ECLI:NL:RBROT:2024:13764
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,328 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/689595 / JE RK 24-2494
Datum uitspraak: 12 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [voornaam minderjarige 2] 2018 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] .
[naam (stiefvader)]
hierna te noemen: de (stief)vader, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. I. Bakker, kantoorhoudende te Maastricht.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 19 november 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 12 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader bijgestaan door zijn advocaat;
een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna te noemen: de GI), [persoon A] ;
een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon B] .
1.3.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [voornaam minderjarige 1] . De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wonen bij de moeder en de (stief)vader.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Er zijn zorgen over alle kinderen, aangezien sprake is van een ernstig bedreigde ontwikkelingssituatie. De zorgen richten zich vooral op de onveiligheid die binnen de opvoedsituatie heerst, met name de wantrouwende en achterdochtige houding van de vader jegens [voornaam minderjarige 1] , de moeder en de betrokken instanties. Daarnaast zijn ontwikkelingsproblemen bij [voornaam minderjarige 3] waargenomen, zoals spraak- en taalachterstand. De hulpverlening komt niet van de grond, omdat de vader zich niet wil laten diagnosticeren en geen toestemming geeft voor het delen van informatie over zichzelf. Tegelijkertijd trekt de vader voortdurend aan de bel vanwege zijn zorgen over het gedrag van de moeder tegenover [voornaam minderjarige 1] , waarbij hij spreekt over mishandeling en seksueel misbruik.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Mocht de ondertoezichtstelling worden uitgesproken dan is er een vaste jeugdbeschermer beschikbaar.
5Het standpunt van de moeder
5.1.
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek, maar is ook niet blij met het verzoek tot een ondertoezichtstelling. Hopelijk kan de GI wat bereiken met school en de hulpverlening voor [voornaam minderjarige 3] .
6Het standpunt van de vader
6.1.
Door en namens de vader wordt ingestemd met het verzoek. De vader heeft ook grote zorgen over de kinderen, maar heeft moeite met het feit dat hij als onwelwillend wordt neergezet. Ook is hij het niet eens met hetgeen in de rapportages over hem wordt geschreven. De vader kan zich niet vinden in het standpunt dat hij niet meewerkt. Wel erkent de vader dat hij meewerkend moet zijn tegenover de hulpverlening en vooral in communicatie duidelijk moet vastleggen wat er is besproken en welke afspraken zijn gemaakt. Hij hoopt dat de nare ervaringen uit het verleden zullen bijdragen aan een verbetering in de communicatie en samenwerking. De vader ziet een ondertoezichtstelling als een kans om verbetering te laten zien.
Beoordeling
7.1.
Gelet op het feit dat er ter zitting geen verweer is gevoerd tegen de verlening van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] én de kinderrechter op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting van oordeel is dat aan de gronden voor de ondertoezichtstelling is voldaan, zal de ondertoezichtstelling als onweersproken worden verleend voor de duur van twaalf maanden.
Er zijn zorgen over de bedreigde ontwikkeling van de kinderen [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] . De zorgen zijn vooral gelegen in de thuissituatie en de houding van de vader. De ouders zelf herkennen een deel van de zorgen, maar accepteren geen hulpverlening vanwege negatieve ervaringen uit het verleden. Vooral de houding van de vader tegenover zowel de kinderen, de moeder als de hulpverlening maakt de situatie zorgelijk en ingewikkeld. Hierdoor wordt weinig informatie prijsgegeven en werken de ouders niet mee aan de hulpverlening, waardoor het zicht op de thuissituatie ontbreekt. Het is echter positief dat de ouders ter zitting hebben erkend dat er wat moet gebeuren en dat zij de intentie hebben om in het belang van de kinderen mee te werken. Gezien het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer noodzakelijk is in het belang van de kinderen, zodat er zicht komt op de situatie en de benodigde hulp kan worden ingezet voor zowel de ouders als de kinderen.
7.2.
Het is voor de komende periode van belang dat de ouders medewerking verlenen en profiteren van de aangeboden hulpverlening. Hierdoor kan een rustige en voorspelbare opvoedsituatie voor de kinderen gecreëerd worden, waarin zij kunnen toekomen aan hun ontwikkeling en passende zorg en hulpverlening ontvangen.
7.3.
De kinderrechter zal daarom [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] onder toezicht stellen voor de duur van twaalf maanden.
Dictum
De kinderrechter:
8.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 12 december 2024 tot 12 december 2025;
8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 23 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek.