Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-02
ECLI:NL:RBROT:2024:13754
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,514 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/689662 / JE RK 24-2502
Datum uitspraak: 2 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de spoedbeschikking van 19 november 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
twee vertegenwoordigsters van de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI), [persoon B] en [persoon C] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de tante (vz) van [voornaam minderjarige 2] .
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een (geheim) pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 19 november 2024 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 19 februari 2025. Tevens is bij die beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verleend tot 17 december 2024.
3Het (aangehouden) verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van drie maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Bij beschikking van 19 november 2024 is de voorlopige ondertoezichtstelling reeds verleend voor de duur van drie maanden. De machtiging tot uithuisplaatsing is reeds verleend voor de duur van vier weken. Thans dient beslist te worden op de machtiging tot uithuisplaatsing tot 19 februari 2025.
3.3.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. De GI heeft verwaarlozing van de kinderen geconstateerd en de kinderen zijn al bekend bij de Raad vanwege eerdere bemoeienis. Dit maakt de situatie extra zorgelijk. Zodra de kinderen terug naar huis gaan, moet het daar goed gaan. De moeder moet samenwerken met de hulpverlening, zodat onderzocht kan worden wat haar capaciteiten zijn en wat zij aankan. Daarnaast is het opvallend dat de kinderen aangeven niet teug naar de moeder te willen. Daarom verzoekt de Raad om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Er wordt opgemerkt dat de moeder goed in contact staat en haar afspraken nakomt. Vorige week vond het eerste bezoek tussen de moeder en de kinderen plaats en dit verliep positief. Afhankelijk van de beslissing vandaag, is er aankomende week nog een bezoek gepland. De kinderen hebben goed gereageerd op de bezoeken. Vorige week heeft er een overleg plaatsgevonden met de moeder en de tante (mz), waarbij twee netwerkopties werden besproken. Over de eerste optie is een negatief advies gegeven. De tweede optie betreft de grootouders van [voornaam minderjarige 2] , maar hier is slechts plek voor één kind en het is in Zeeland, waardoor begeleide omgang met de moeder moeilijk te organiseren is. Daarnaast heeft de familie van de grootouders van [voornaam minderjarige 2] (vz) een criminele achtergrond en zij komen regelmatig bij de grootouders (vz) over de vloer. De kinderen hebben inmiddels al op drie verschillende plekken gewoond en er bestaat een reële kans dat er geen passende plek wordt gevonden waar zij samen geplaatst kunnen worden. Dit is zeer zorgelijk. Bovendien gaan beide jongens niet naar school. Er is inmiddels aangemeld voor een gezinsverkenningsweek aangezien er weinig zicht is op haar opvoedvaardigheden. Dit komt doordat er de afgelopen jaren geen hulpverlening is geweest.
5Het standpunt van de moeder
5.1.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen de voorlopige ondertoezichtstelling, maar wel tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Volgens de moeder is een machtiging tot uithuisplaatsing te voorbarig. De zorg betreft de grootouders (vz) zien niet op henzelf, maar over de familieleden die regelmatig bij de grootouders (vz) over de vloer komen,. Als terugplaatsing geen optie is, zou er gekeken moeten worden naar het netwerk van de moeder. Het plaatsen van de kinderen in Zeeland zou een ideale tussenstap kunnen zijn, waarna vanuit daar ambulante hulpverlening voor de moeder kan plaatsvinden. Moeder is ook bereid voor haar kinderen naar Zeeland te reizen. Bovendien kunnen de jongens wel samen bij het netwerk in Zeeland geplaatst worden. De moeder is bereid mee te werken aan de hulpverlening en wil graag haar kinderen terug. Het is echter onduidelijk voor de moeder wat er precies aan de hand is. De Raad geeft aan dat afspraken niet nagekomen worden of onvoldoende begrepen worden, maar het moet voor de moeder wel duidelijk zijn wat van haar wordt verwacht.
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding.
6.2.
Er zijn ernstige zorgen over zowel de praktische als emotionele verwaarlozing van de kinderen. Van verschillende kanten, waaronder Veilig Thuis, de huisarts en school zijn zorgmeldingen ontvangen. Het is verdrietig dat er geen geschikte plek voor de kinderen is gevonden en dat zij al op drie plekken hebben verbleven. Deze wisselingen van plek is schadelijk voor hun ontwikkeling. In de komende drie maanden moet er onderzocht worden wat alle mogelijke opties zijn. Er moet worden gekeken of bijvoorbeeld een opname in een moeder-kindhuis een optie is. Ook dient het netwerk verder onderzocht te worden. Binnen de komende maanden moet er meer duidelijkheid komen over de opvoedvaardigheden van de moeder, zodat de vervolgstappen kunnen worden bepaald.
6.3.
Gezien de ernst van de zorgen is het noodzakelijk dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op dit moment nog in het pleeggezin verblijven. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg verlengen tot 19 februari 2025.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
houdt de beschikking van 19 november 2024 in stand;
7.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 19 februari 2025;
7.3.
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2024 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2024 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan, voor zover deze ziet op de machtiging tot uithuisplaatsing, worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:265c, tweede lid, van het BW.