Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-03
ECLI:NL:RBROT:2024:13735
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,068 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687798 / JE RK 24-2250
Datum uitspraak: 3 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2007 in [geboorteplaats] ([geboorteland]), hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2010 in [geboorteplaats] ([geboorteland]), hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats],
advocaat mr. A.C. van ’t Hek, kantoorhoudende te Dordrecht.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 18 oktober 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon 1].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Tigrinya, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van [persoon 2], tolk in de taal Tigrinya. De kinderrechter heeft de tolk ter zitting beëdigd overeenkomst het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
1.5.
De kinderrechter heeft ter zitting bijzondere toegang verleend aan [persoon 3], collega van mr. A.C. van ’t Hek, en aan [persoon 4], de pleegmoeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Ter zitting is de pleegmoeder gehoord als informant.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 december 2023 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 15 december 2024.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 juli 2024 de machtiging voor [minderjarige 1] verlengd en voor [minderjarige 2] verleend om te verblijven in een voorziening voor pleegzorg tot 15 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 30 maart 2025. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot aan meerderjarigheid. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds de zomer van 2024 in het huidige pleeggezin. Beide kinderen behoeven intensieve begeleiding van de pleegmoeder. Aanvankelijk stond [minderjarige 1] open voor begeleiding en contact met de pleegmoeder, maar de afgelopen tijd lijkt [minderjarige 1] zich steeds verder terug te trekken. [minderjarige 1] vindt dat zij geen begeleiding meer nodig heeft en is veel op haar kamer of buitenshuis. Het contact tussen haar en de pleegmoeder is beperkt en enkel functioneel. [minderjarige 1] krijgt begeleiding vanuit Saeda en is aangemeld bij ASVZ, naar aanleiding van een melding van school over haar functioneren. Ook wordt er, met het oog op haar naderende meerderjarigheid, onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor wonen onder begeleiding. Er zijn echter lange wachtlijsten. [minderjarige 1] heeft geen contact met de moeder. In tegenstelling tot de gestagneerde ontwikkeling van [minderjarige 1] ontwikkelt [minderjarige 2] zich positief in het pleeggezin. Hij gaat naar school en is goed in contact met de pleegmoeder. Toch zijn er zorgen over zijn hechtingsproblematiek. Positief is dat de pleegmoeder hier goed op inspeelt. Ook [minderjarige 2] krijgt begeleiding vanuit Saeda en is aangemeld bij het ASVZ. In oktober is er een begeleid contactmoment geweest tussen [minderjarige 2] en de moeder. Gezien wordt dat [minderjarige 2] het lastig vindt om met zijn moeder in gesprek te gaan, hij stelt geen vragen en laat voornamelijk de moeder aan het woord. Het volgende contactmoment staat eind december 2024 ingepland. De GI heeft vragen en zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder. De aankomende tijd wil de GI onderzoeken hoe het contact tussen [minderjarige 2] en de moeder fijn vormgegeven kan worden, en wat de mogelijkheden zijn voor uitbreiding in dit contact. Daarnaast wil de GI onderzoeken of er een mogelijkheid is dat [minderjarige 2] weer bij de moeder thuis kan wonen.
4. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder is ter zitting het volgende naar voren gebracht. De moeder heeft het gevoel dat zij haar kinderen kwijt is en dit emotioneert haar. De moeder benadrukt dat de onderhavige situatie nooit de schuld van de kinderen is geweest en dat zij veel liefde voor hen heeft. [minderjarige 1] is bijna achttien jaar, en de moeder ziet dat het voor haar het beste is om vanuit haar huidige woonplek naar zelfstandigheid toe te werken. Er is op dit moment geen contact tussen de moeder en [minderjarige 1], waardoor het onrealistisch zou zijn om te verwachten dat dit contact in de aankomende maanden wel voldoende van de grond zou komen. De moeder is het dan ook eens met het verzoek van de GI ten aanzien van [minderjarige 1]. De moeder maakt zich wel zorgen over het contact tussen [minderjarige 1] en de pleegmoeder, volgens de moeder is er veel ruzie tussen hen. Ten aanzien van [minderjarige 2] is de moeder het eens met het verzoek strekkende tot de verlenging van de ondertoezichtstelling maar kan zij zich niet vinden in de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. De moeder hoopt dat [minderjarige 2] op termijn, zonder [minderjarige 1], weer bij haar kan wonen. De moeder respecteert de wens van [minderjarige 2] om langer in het pleeggezin te blijven. Tegelijkertijd wil de moeder dat de mogelijkheden voor een thuisplaatsing van [minderjarige 2] bij haar worden onderzocht en dat hier duidelijkheid over komt. Daarom verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in duur te bekorten tot zes maanden, en de situatie over enkele maanden te evalueren.
5De mening van de informant
De pleegmoeder heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. [minderjarige 2] ontwikkelt zich positief in het pleeggezin. Hij zoekt toenadering, haalt goede cijfers op school, gaat tegen zijn oudere broer en zus in en geeft het aan als hij tegen problemen aanloopt. De pleegmoeder hoopt dat [minderjarige 2] deze stijgende lijn de aankomende periode voort kan zetten. De pleegmoeder ziet niet in hoe dit, gelet op de hechtingsproblematiek van [minderjarige 2], bij de moeder thuis zou moeten. Zodoende hoopt de pleegmoeder dat [minderjarige 2] het aankomende jaar bij haar kan verblijven. De situatie met [minderjarige 1] ligt lastig. Zij heeft op dit moment flinke ruzie met haar meerderjarige broer en zij praten niet meer met elkaar. Het contact tussen de pleegmoeder en [minderjarige 1] is wisselend, maar op dit moment voornamelijk functioneel. Zolang [minderjarige 1] bij de pleegmoeder wil blijven is zij welkom.
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Er zijn al langere tijd ernstige zorgen over de thuis- en opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de moeder en over hun onderlinge band. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds een half jaar in het pleeggezin. Positief is dat de pleegmoeder goed bij hen lijkt aan te sluiten en dat de kinderen stappen maken in hun ontwikkeling. Ondanks de inzet van de (interculturele) hulpverlening van Saeda is het onderlinge contact tussen de moeder en de kinderen niet voldoende verbeterd. Zo heeft [minderjarige 1] geen contact met de moeder, en is ook het eerste begeleide contactmoment tussen de moeder en [minderjarige 2] niet goed verlopen. De kinderen stoten de moeder af en zij sluit op dit moment onvoldoende aan bij de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De moeder is op dit moment bereid maar onvoldoende in staat om de zorgen zelfstandig weg te nemen. Gelet op het voorgaande maken de aanhoudende zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de gronden voor een ondertoezichtstelling onverminderd aanwezig zijn. De kinderrechter is van oordeel dat de voortzetting van de betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer daarom noodzakelijk is om de ontwikkelingen van het gezin te volgen en de noodzakelijke hulpverlening, waar nodig, in te zetten. De kinderrechter zal om deze reden de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 30 maart 2025, en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van een jaar verlengen.
6.2.
Nu [minderjarige 1] binnen enkele maanden achttien jaar wordt, de moeder geen verweer heeft gevoerd en het haar eigen wens is dat zij tot aan haar meerderjarigheid bij de pleegmoeder kan verblijven acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige 1] dat de machtiging uithuisplaatsing in het pleeggezin verlengt wordt tot aan haar meerderjarigheid, te weten tot 30 maart 2025. Vanuit het pleeggezin kan [minderjarige 1] de aankomende periode samen met de GI (verder) toewerken naar zelfstandigheid.
6.3.
Ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] is noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. Voor [minderjarige 2] is de situatie anders dan voor [minderjarige 1]. [minderjarige 2] is onlangs veertien jaar oud geworden. [minderjarige 2] woont sinds juli van dit jaar bij de pleegmoeder. Hij heeft contact met zijn moeder, al lijkt dat contact met grote tussenpozen plaats te vinden. Zo heeft [minderjarige 2] zijn moeder gezien in oktober en in december staat het volgende contactmoment gepland. Bij deze stand van zaken en nu de komende periode in het teken staat van het werken aan contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 2] en het onderzoeken of er een mogelijkheid is dat [minderjarige 2] weer bij de moeder kan wonen, acht de kinderrechter de gehele toewijzing van het verzoek van de GI een te lange periode. De kinderrechter acht het van belang om een vinger aan de pols te houden en tussentijds geïnformeerd te worden over de stand van zaken. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing daarom verlengen voor een kortere periode dan is verzocht, te weten voor de duur van zes maanden, tot 15 juni 2025. Het resterende deel van het verzoek van de GI zal worden aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum, zodat er een tussentijds toetsmoment kan plaatsvinden. Het is van belang dat vanuit de stabiele basis die [minderjarige 2] nu heeft bij de pleegmoeder er meer zicht komt op het contact tussen [minderjarige 2] en de moeder en dat bezien wordt hoe dit (fijn) vorm gegeven kan worden. Het belang van [minderjarige 2] is hierin leidend. Daarnaast dient er onderzocht te worden of, en op welke termijn [minderjarige 2] weer terug bij de moeder kan wonen. Van belang is dat het voor de GI duidelijk wordt welke (on)mogelijkheden de moeder heeft om tegemoet te kunnen komen aan de ontwikkelbehoeften van [minderjarige 2].
6.4.
De kinderrechter verzoekt de GI uiterlijk twee weken vóór de hierna te noemen pro forma datum te rapporteren over de actuele stand van zaken en of het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd, onder gelijktijdige verstrekking aan de belanghebbende en mr. A.C. van ’t Hek.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot aan meerderjarigheid, te weten tot 30 maart 2025;
7.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 15 december 2025;
7.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot 30 maart 2025;
7.4.
verlengt de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 15 juni 2025;
7.5.
verklaart deze beschikking, tot zover, uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
7.6.
houd de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 mei 2025 pro forma;
7.7.
bepaalt dat de GI, [minderjarige 2], de belanghebbende en mr. A.C. van ’t Hek op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
7.8.
verzoekt de GI uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbende en mr. A.C. van ’t Hek) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024 door mr. J.C.M. Persoon, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 12 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.