Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-10-22
ECLI:NL:RBROT:2024:13730
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,114 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/687284 / JE RK 24-2185
Datum uitspraak: 22 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. L.A. Alderlieste, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift van de GI van 10 oktober 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.
2.3.
Bij beschikking van 3 november 2023 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 3 november 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar. De GI verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Er is geen vaste jeugdbeschermer en de benodigde hulpverlening laat op zich wachten. De ouders zijn inmiddels wel aangemeld voor het Ouderschap Na Scheiding (ONS)-traject, dat aan het begin van het nieuwe jaar kan starten. De situatie tussen de vader en de kinderen is onveranderd. Er is geen contact en de kinderen geven aan dit ook niet te willen. Het blijft echter van belang om te onderzoeken of er mogelijkheden zijn om het contact te herstellen, maar eerst moet het ONS-traject van start gaan.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. Er is geen sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen. Het gaat heel goed met de kinderen, zij ondervinden weinig last van de situatie, behalve soms door confrontaties met de GI. De kinderen hebben vanaf het begin aangegeven geen contact met de vader te willen en recent heeft de rechtbank geoordeeld dat omgang niet kon worden opgestart. Aangezien de situatie sinds een jaar geleden onveranderd is, heeft een verlenging van de ondertoezichtstelling geen nut. Ook is er geen vaste jeugdbeschermer waardoor er vrijwel geen contact is geweest met de GI. Mocht de rechtbank toch besluiten tot verlenging van de ondertoezichtstelling, dan wordt verzocht om een kortere duur. De kinderen worden belast door de ondertoezichtstelling zonder dat er vooruitgang is geboekt. De prioriteit zou moeten liggen bij het verbeteren van het contact tussen de ouders, waarvoor mediation passender is dan een ondertoezichtstelling.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de zorgen zoals omschreven in de beschikking van 3 november 2023 ongewijzigd zijn. De ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] blijken nog steeds niet in staat om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben nog steeds geen contact met de vader en geven aan ook geen contact met de vader te willen. Er is in de tussentijd geen hulpverlening ingezet, hoewel de ouders inmiddels wel zijn aangemeld voor het ONS-traject. Dit gaat starten begin 2025. Het is essentieel dat de ouders in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met elkaar gaan communiceren, waarna voorzichtig contactherstel tussen de vader en de kinderen misschien tot de mogelijkheden gaat behoren.
5.2.
Gelet op het voorgaande ziet de kinderrechter aanleiding om de ondertoezichtstelling te verlengen, maar voor een kortere duur dan verzocht, namelijk voor de periode van zes maanden. Het overige verzochte zal worden aangehouden. De reden hiervoor is dat het ONS-traject binnenkort zal starten, waardoor inzicht kan worden verkregen in het verloop en de effectiviteit van dit traject. De kinderrechter verwacht dat bij de volgende zitting meer duidelijkheid zal bestaan over de noodzaak van verdere inzet van de GI en daarmee samenhangend in hoeverre er mogelijkheden zijn voor contactherstel tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van zes maanden Het overige deel van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.3.
De GI wordt verzocht de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de belanghebbenden en mr. L.A. Alderlieste) twee weken vóór de hierna te noemen zittingsdatum te rapporteren over de huidige stand van zaken.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 3 mei 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens te beslissen:
6.3.
houdt de verdere behandeling van het verzoek aan tot 1 april 2025 pro forma;
6.4.
bepaalt dat de GI, de belanghebbenden en mr. L.A. Alderlieste op de genoemde pro forma datum niet ter zitting hoeven te verschijnen;
6.5.
verzoekt de GI uiterlijk vóór 18 maart 2025 de door de kinderrechter verzochte rapportage toe te sturen met een afschrift aan de belanghebbenden en mr. L.A. Alderlieste.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 11 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:260, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.