Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-18
ECLI:NL:RBROT:2024:13726
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,271 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/686053 / JE RK 24-2024
Datum uitspraak: 18 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2023 in [geboorteplaats ], hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats ], hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats],
advocaat mr. L. Middelkoop, kantoorhoudende te Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen de vader, ingeschreven in [plaatsnaam], thans verblijvende in [detentieadres],
advocaat mr. W.J. Oomkes, kantoorhoudende te Vlaardingen.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de tussenbeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 september 2024, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de rectificatiebeschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 3 december 2024;
het aanvullende rapport van de Raad met bijlagen, van 17 december 2024;
het bericht van mr. W.J. Oomkes van 17 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren is op 18 december 2024 voorgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de advocaat van de vader;
twee vertegenwoordigers van de Raad, [persoon 1] en [persoon 2];
- een vertegenwoordiger van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), [persoon 3].
De vader is, met berichtgeving van afwezigheid, niet verschenen.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1].
2.2.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2].
2.3.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een pleeggezin.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 30 september 2024 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 30 september 2025.
2.5.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 30 september 2024 een machtiging verleend [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 5 januari 2025. Tevens heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een machtiging verleend [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in het ziekenhuis, gevolgd door plaatsing in een voorziening voor pleegzorg tot 5 januari 2025. Het overige verzochte werd aangehouden.
3Het (aangehouden) verzoek
3.1.
De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. Dit verzoek is reeds toegewezen. Tevens verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De Raad verzoekt ten aanzien van [minderjarige 2] een machtiging tot plaatsing van [minderjarige 2] in het ziekenhuis gevolgd door een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Deze verzoeken zijn reeds voor de duur van vier maanden toegewezen. Thans dient er op de resterende zes maanden te worden beslist.
3.2.
De Raad handhaaft het aangehouden verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. De Raad verwijst naar de aanvullende raadsrapportages van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De vader zit momenteel in voorlopige hechtenis. De moeder wordt van hetzelfde feit verdacht maar is onder voorwaarden geschorst, één van die voorwaarden betreft dat zij begeleid wordt vanuit de reclassering. De Raad is niet bekend, wat de huidige stand van zaken met betrekking tot de woonruimte van de ouders is, maar is van mening dat deze niet geschikt is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderen verblijven op dit moment in een pleeggezin. De zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn groot. Zodoende is het positief dat de moeder aangeeft open te staan voor de hulpverlening. De Raad hoopt dat de ouders de kansen die de hulpverlening hen zullen bieden aangrijpen, en dat zij keuzes maken die in het belang zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
4De standpunten
4.1.
De GI sluit zich ter zitting bij het verzoek van de Raad aan. Het gaat goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De begeleiden bezoeken tussen de moeder en de kinderen verlopen fijn en er is een goede samenwerking tussen de moeder en de pleegouders. De GI geeft aan zich graag in te willen zetten voor het gezin en hoopt op de voortzetting van de goede samenwerking.
4.2.
Door en namens de moeder is ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder begrijpt de zorgen van de Raad en erkent deze. De moeder is van mening dat het, het beste is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] als zij in een gezin kunnen opgroeien met de vader. Daarom heeft de moeder besloten haar relatie met de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog een kans te geven. De moeder geeft aan zich samen met de hulpverlening, in te willen zetten voor haar gezin. Voor de moeder is het daarbij cruciaal dat ook de vader bereid is de hulpverlening te accepteren. Verder gaat het met de moeder naar omstandigheden goed. Haar woning is gesaneerd en er is zicht op een verhuizing naar een gezondere woonomgeving. Daarnaast wordt de moeder begeleid vanuit de reclassering en is zij bereid mee te werken aan urinecontroles om zodoende de zorgen over haar middelengebruik weg te nemen. De moeder is voornemens zich via de huisarts aan te melden voor hulpverlening vanuit Mozaïek en had zich al aangemeld voor traumatherapie. Bij de intake bleek echter dat haar klachten niet als trauma-gerelateerd werden gezien, waardoor zij nu aangemeld is voor weerbaarheidstraining bij Fivoor. De moeder is vastbesloten voornoemde stappen te zetten en verder te werken aan de doelen van de kinderbeschermingsmaatregelen. De moeder begrijpt dat het op dit moment niet realistisch is om de kinderen thuis te plaatsen en erkent dat er veranderingen nodig zijn in de huidige situatie. De samenwerking tussen de moeder en de betrokken partijen verloopt goed. De moeder geeft aan alle kansen die de hulpverlening haar biedt te willen benutten.
4.3.
De advocaat van de vader geeft ter zitting aan geen standpunt namens de vader te kunnen innemen, omdat hij niet in de gelegenheid is geweest de vader inhoudelijk te spreken over het verzoek van de Raad. Pas gisteren werd de advocaat duidelijk dat de vader in voorlopige hechtenis zit. De vader heeft op 16 december 2024 gereageerd op het aanvullende rapport van de Raad. Deze reactie dient als het standpunt van de vader te worden beschouwd.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Eerder waren er ernstige zorgen over de veiligheid en stabiliteit in de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verbleven in een onveilige en onvoorspelbare thuissituatie waarin sprake was van huiselijk geweld. Inzet van hulpverlening in het vrijwillig kader is daarbij niet toereikend gebleken.
5.2.
Op dit moment verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin, waar het goed met hen gaat. Het is positief dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een fijne plek hebben bij de pleegouders en dat het contact tussen de pleegouders en de moeder goed is. Hoewel er de afgelopen jaren verschillende vormen van ondersteuning en hulpverlening voor de ouders zijn ingezet, komt dit moeilijk van de grond. Er zijn aanhoudende zorgen over de huisvesting en de hygiëne van de woning van de ouders en over hun middelengebruik. Daarnaast zijn de moeder en de vader de afgelopen periode meermaals in aanraking geweest met de politie. De vader zit als gevolg hiervan op dit moment in voorlopige hechtenis en de moeder is onder voorwaarden geschorst. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gezien hun leeftijd, zeer kwetsbaar. In de situatie van [minderjarige 2] speelt daarbij nog, de extra zorg dat hij als prematuur geboren kind nog meer dan andere kinderen belang heeft bij rust en continuïteit. Het is de moeder en de vader tot op heden niet gelukt om voldoende stabiliteit in hun eigen leven te creëren en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een veilige opvoedomgeving te bieden. Positief is daarbij dat de moeder open staat voor de hulpverlening. Het lukt de moeder op dit moment echter onvoldoende de voornoemde bedreigingen en zorgen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelfstandig weg te nemen.
5.3.
De aanhoudende zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maken dat de gronden voor een machtiging uithuisplaatsing onverminderd aanwezig zijn. De kinderrechter is daarom, met de betrokken partijen, van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat hun verblijf bij het pleeggezin, waar zij rust en stabiliteit ervaren, gecontinueerd dient te worden. Om deze reden is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 30 september 2025, in een voorziening voor pleegzorg noodzakelijk. Voor de aankomende periode is het van belang dat de noodzakelijke hulpverlening voor de ouders opgestart en gevolgd wordt. Daarnaast is het van belang dat er aan het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ouders gewerkt blijft worden en dat er bezien wordt wat de mogelijkheden en onmogelijkheden hierbinnen zijn.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 30 september 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2024 door mr. C.N. Melkert, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 31 december 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.