Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-09
ECLI:NL:RBROT:2024:13709
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,235 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/672425 / JE RK 24-148
Datum uitspraak: 9 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
en [naam vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna afzonderlijk te noemen: de moeder en de vader,
en gezamenlijk: de ouders.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 maart 2024, en de daaraan ten grondslag liggende stukken.
1.2.
Op 9 september 2024 heeft de kinderrechter de mondelinge behandeling van de zaak met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de ouders;
twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [persoon 1] en [persoon 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft zijn mening niet gegeven.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de ouders.
2.3.
Op 13 maart 2023 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar. Bij beschikking van 4 maart 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 13 september 2024.
3Het (aangehouden) verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van één jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Doordat een deel van het verzoek op 4 maart 2024 al is toegewezen, ziet het verzoek nu alleen nog op de periode van 13 september 2024 tot 13 maart 2025.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. Het gaat goed met de kinderen op school en er zijn geen concrete signalen van onveiligheid thuis, maar de zorgen blijven bestaan omdat de hulpverlening door de ouders buiten de deur wordt gehouden. De situatie is zorgwekkend omdat er een achtergrond is van huiselijk geweld. Er zijn signalen dat [minderjarige 2] last heeft van de gebeurtenissen. Zelfs als de situatie momenteel goed is thuis, blijft hulp voor [minderjarige 2] nodig om het verleden te verwerken. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat zij speltherapie wil. Eerder heeft [minderjarige 2] speltherapie op school gehad, maar dit is door de moeder stopgezet. De afgelopen periode is onderzocht of [minderjarige 2] opnieuw speltherapie kan krijgen. Zij heeft op de wachtlijst gestaan bij Enver, maar Enver stelde als voorwaarde dat er opvoedondersteuning thuis zou zijn. Aangezien de vader weigerde hieraan mee te werken, kon de speltherapie niet doorgaan. Daarom wordt nu gezocht naar een zorgaanbieder die speltherapie aanbiedt zonder de voorwaarde van opvoedondersteuning thuis.
4Het standpunt van de ouders
4.1.
De ouders zijn het niet eens met het verzoek. Zij hebben tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat de situatie is veranderd ten opzichte van een aantal jaren geleden. Het gaat goed met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De speltherapie van [minderjarige 2] is gestopt, omdat zij liever buiten wilde spelen met andere kinderen. Na drie maanden is bekeken of de speltherapie kon worden stopgezet, en dat kon. Als de school te kennen geeft dat opnieuw speltherapie moet worden ingezet, werken de ouders daaraan mee. Betrokkenheid van de GI levert de ouders alleen maar stress en boosheid op.
Beoordeling
5.1.
Verlenging van een ondertoezichtstelling kan alleen als de minderjarige nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd (artikelen 1:255, eerste lid, en 1:260, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd, kan op basis van de stukken en de mondelinge behandeling niet worden vastgesteld. De kinderrechter licht dat hieronder toe.
5.2.
De nu 14-jarige [minderjarige 1] en 9-jarige [minderjarige 2] zijn anderhalf jaar geleden onder toezicht gesteld van de GI omdat er grote zorgen waren over de opvoedsituatie en over de (emotionele) beschikbaarheid van de moeder, die psychische problemen had. Sinds de moeder onder behandeling is bij Antes en trouw haar medicatie slikt, gaat het veel beter met haar. Er zijn nu geen zorgen meer over haar beschikbaarheid. Voor wat betreft de opvoedsituatie geldt dat het de GI tot op heden niet is gelukt om hier goed zicht op te krijgen, omdat met name de vader blijft weigeren mee te werken met de GI en de hulpverlening. Er zijn echter ook geen concrete signalen dat nog steeds sprake is van een onveilige opvoedsituatie. Zo zijn er bij de politie en Veilig Thuis geen meldingen binnengekomen over de thuissituatie van de kinderen. [minderjarige 1] heeft het afgelopen schooljaar gesprekken gevoerd met de schoolmaatschappelijk werker. Deze gesprekken zijn afgerond, omdat er geen hulpvraag meer was. De school van [minderjarige 2] heeft daarentegen aan de GI te kennen gegeven nog dezelfde zorgen te hebben. Volgens de school deinst [minderjarige 2] achteruit bij stemverheffingen tijdens het voorlezen en is zij in een individueel gesprek met een leerkracht erg terughoudend in antwoorden geven en heeft zij dan een angstige blik met grote ogen. Op basis daarvan kan echter niet de conclusie worden getrokken dat sprake is van een onveilige opvoedsituatie, en daarmee ook niet dat [minderjarige 2] zodanig opgroeit dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Dat [minderjarige 2] mogelijk last heeft van gebeurtenissen uit het verleden, maakt ook nog niet dat zij ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Eventuele hulp bij het verwerken daarvan kan bovendien ook in het vrijwillig kader plaatsvinden, zoals eerder ook is gebeurd. Daar staan de ouders wel voor open. Dit alles betekent dat er geen grond is voor verlenging van de ondertoezichtstelling. Hierbij komt nog dat er tot op heden geen ingang is gevonden bij de ouders en dat niet te verwachten valt dat dit in de komende zes maanden wel zal lukken. Gelet op dit alles zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek om de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen afwijzen.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2024 door mr. H. Biemond, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 23 september 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.