Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-09
ECLI:NL:RBROT:2024:13691
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,301 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/683784 / JE RK 24-1731
Datum uitspraak: 9 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over een gedeeltelijke gezagsbelasting
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. V. de Roo, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[naam tante] ,
hierna te noemen: de tante (mz), wonende te [woonplaats 2] ,
[naam oom] ,
hierna te noemen: de oom (mz), wonende te [woonplaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 2 augustus 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
het bezwaar van de moeder bij de geschillencommissie van 1 juli 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door mr. N. Schuerman (waarnemend voor mr. V. de Roo);
de tante (mz), bijgestaan door een tolk, [persoon 1] ;
een vertegenwoordiger van de GI, [persoon 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan [persoon 3] , jurist bij de Kameleon.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een netwerkpleeggezin, te weten bij oom en tante (mz).
2.3.
Bij beschikking van 4 januari 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 4 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 28 mei 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 4 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de GI met betrekking tot de aanmelding bij een onderwijsinstelling. Tevens verzoekt de GI dat deze gedeeltelijke gezagstoekenning aan de GI wordt aangetekend in het gezagsregister, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek. [minderjarige] stond ingeschreven bij de Kameleon, waar een observatieperiode heeft plaatsgevonden en een verslag is opgesteld. De Kameleon gaf aan dat de school niet passend is voor [minderjarige] , omdat zij meer ondersteuning nodig heeft dan de school kan bieden. De moeder heeft bezwaar ingediend bij de geschillencommissie van Stichting Boor. De Kameleon heeft als tussenoplossing de Kleine Plantage voorgesteld. Zodat daar gekeken kan worden welke school passend is. De moeder vindt de Kleine Plantage niet passend en weigert dit. [minderjarige] gaat nu niet naar school en verblijft daarom de hele dag bij de tante (mz), die aangeeft hierdoor niet te kunnen werken. De tante (mz) heeft aangegeven dat [minderjarige] niet langer bij haar kan wonen als zij niet op korte termijn naar school kan. Daarom is het belangrijk dat [minderjarige] voorlopig naar de Kleine Plantage gaat. Er was afgesproken dat de moeder vier weken de tijd zou krijgen om een andere school te zoeken. Deze termijn is echter ingekort omdat de tante aangaf het niet langer vol te kunnen houden.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd. Er ontbreekt een duidelijke motivering over de afwijzing van de Kameleon als school voor [minderjarige] . Op 17 september vindt de inhoudelijke behandeling van het bezwaar plaats, waarna de beslissing moet worden afgewacht. Een tijdelijke plaatsing bij de Kleine Plantage wordt niet als passend beschouwd. De uitspraak moet worden uitgesteld tot na de inhoudelijke behandeling van het bezwaar en de beslissing die daarover wordt genomen. Bovendien kan [minderjarige] bij tante (mz) blijven, zelfs als er in de tussentijd geen tussenoplossing voor haar wordt gevonden.
5De informant
5.1.
De tante wil dat [minderjarige] naar school gaat, maar zij blijft voor [minderjarige] zorgen. Dit geldt ook als de procedure moet worden afgewacht en [minderjarige] tot het einde van het jaar niet naar school gaat.
Beoordeling
6.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter bij de verlening van de machtiging tot uithuisplaatsing en ook nadat deze machtiging is verleend, op verzoek bepalen dat het gezag gedeeltelijk wordt uitgeoefend door de GI die het toezicht uitoefent, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, met betrekking tot de aanmelding van een minderjarige bij een onderwijsinstelling. De kinderrechter heeft de stukken van de GI goed gelezen. Ook heeft zij goed geluisterd naar wat tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht. Op basis daarvan is de kinderrechter van oordeel dat niet wordt voldaan aan het wettelijke criteria, zoals hierboven vermeld. Hieronder zal de kinderrechter uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.
6.2.
De kinderrechter stelt voorop dat zij het net als de GI van belang acht dat [minderjarige] onderwijs volgt, hoewel zij op dit moment nog niet leerplichtig is. De huidige situatie, waarbij [minderjarige] geen enkele vorm van onderwijs volgt, is zorgelijk omdat dit haar belemmert in haar cognitieve en sociaal- emotionele ontwikkeling. Tegelijkertijd is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de tante (mz) haar standpunt over de voortzetting van het verblijf van [minderjarige] heeft herzien. Zij blijft bereid [minderjarige] op te vangen, ongeacht of [minderjarige] naar school gaat of niet. Hiermee is de voornaamste reden voor het indienen van het verzoek door de GI komen te vervallen. Nu het verblijf van [minderjarige] bij de tante (mz) is geborgd vervalt op dit moment de noodzaak om het verzoek van de GI toe te wijzen. Daarbij komt dat uit de door de moeder overgelegde stukken volgt dat de moeder bezwaar heeft ingediend tegen het besluit dat [minderjarige] niet kan worden ingeschreven bij de Kameleon. De inhoudelijke behandeling hiervan staat gepland op 17 september 2024 en de beslissing daarop wordt rond november of december verwacht. Hiermee staat voor de kinderrechter op dit moment onvoldoende vast of [minderjarige] al dan niet kan instromen in het reguliere onderwijs. Wellicht kan de moeder in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift in nader overleg treden met de Kameleon (of een andere school) om te bezien of [minderjarige] in de tussentijd (een vorm van) onderwijs kan volgen.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2024 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.