Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-16
ECLI:NL:RBROT:2024:13689
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,444 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/681948 / JE RK 24-1393
Datum uitspraak: 16 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de moeder,
[naam vader]
,
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de vader.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
- het verzoekschrift, ontvangen op 17 juni 2024, en de daarbij gevoegde bijlagen;
- de brief van de vader van 26 augustus 2024 en de daarbij gevoegde bijlagen.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 september 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [naam] .
1.3.
De vader is niet verschenen. Hij heeft de kinderrechter van tevoren bericht dat hij niet aanwezig zal zijn en zijn standpunt per brief kenbaar gemaakt.
1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] ook naar zijn mening gevraagd. Hij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling, via beeldbellen, met de kinderrechter gesproken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.2.
De ouders zijn gescheiden. De 14-jarige [minderjarige 1] woont bij de vader. De 11-jarige [minderjarige 2] en de 6-jarige [minderjarige 3] wonen bij de moeder.
2.3.
Op 13 december 2022 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI. De kinderrechter heeft de ondertoezichtstelling daarna verlengd. De ondertoezichtstelling loopt tot 13 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de kinderrechter een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De GI heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling geconcretiseerd en de kinderrechter gevraagd de verdeling als volgt vast te stellen:
- [minderjarige 1] is bij de moeder:
o één dag per week, met voorkeur voor de donderdag;
o in de even weken van vrijdag na school tot en met zondag 19 uur;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn bij de vader:
o in de oneven weken van vrijdag uit school, om 15:15 uur, tot en met zondag 19 uur;
Alle kinderen zijn de herfstvakantie bij de vader, de voorjaarsvakantie bij de moeder, de eerste helft van de overige schoolvakanties bij de ene ouder en de tweede helft van de overige schoolvakanties bij de andere ouder;
Alle kinderen zijn tijdens het Suikerfeest en het Offerfeest in de ochtend bij de moeder en in de middag bij de vader.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft naar voren gebracht dat het belangrijk is dat kinderen contact hebben met beide ouders, en ook met broertjes en zusjes die niet in hetzelfde gezin opgroeien. De huidige afspraak is dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de oneven weken op zaterdag van 16.30 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijven. Omdat het contact tussen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan de ene kant en de vader en [minderjarige 1] aan de andere kant beperkt is en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] graag meer tijd met hun vader en hun broer willen doorbrengen, vindt de GI dat de huidige verdeling van zorg- en opvoedingstaken moet worden aangepast, in die zin dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] langer en vaker bij de vader verblijven. De vader staat niet open voor overleg hierover. Het is de GI niet gelukt om contact met hem te krijgen. Voor wat betreft [minderjarige 1] geldt dat hij geen contact meer heeft met de moeder. De GI verzoekt de kinderrechter evenwel ook voor [minderjarige 1] een zorgregeling vast te stellen. Die verdeling kan worden nageleefd zodra [minderjarige 1] daar aan toe is. Het gezin staat op de wachtlijst van het Rotterdams Omgangshuis, dat gescheiden ouders en kinderen helpt met contactherstel en omgang.
4.2.
De moeder kan zich vinden in het verzoek van de GI. Zij heeft tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek te kennen gegeven dat zij wil dat de vader langer en vaker voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zorgt en dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dat ook willen. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zouden graag, om de week op vrijdag, door hun vader uit school worden gehaald. Voor wat [minderjarige 1] betreft heeft de moeder gezegd dat zij graag weer contact met hem zou willen en dat zij ook zou willen dat hij op de door de GI genoemde dagen bij haar verblijft, maar dat zij zijn keuze respecteert en dat zij hem de tijd geeft die hij nodig heeft.
4.3.
De vader kan zich niet vinden in het verzoek van de GI. Hij schrijft dat [minderjarige 1] tegen hem heeft gezegd dat hij niet bij zijn moeder wil slapen, ook niet in de vakanties, en dat [minderjarige 1] helemaal geen contact meer met haar wil. Voor wat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] betreft heeft de vader de kinderrechter bericht dat hij niet meer voor hen kan zorgen dan hij nu doet, onder meer vanwege zijn huidige baan en een burn-out. Mentaal en lichamelijk trekt hij het niet meer. Verder heeft hij in zijn woning, met twee slaapkamers, niet de ruimte om een kamer voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te creëren. De vader wil daarom dat de huidige afspraak in stand wordt gelaten.
4.4.
[minderjarige 1] kan zich ook niet vinden in het verzoek van de GI. Hij heeft te kennen gegeven dat hij, vanwege gebeurtenissen in het verleden en de manier waarop zijn moeder met hem is omgegaan, niet bij zijn moeder wil verblijven en dat hij geen contact meer met haar wil.
Beoordeling
5.1.
De kinderrechter kan, op verzoek van de GI, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vaststellen voor zover dat in het belang van een onder toezicht gesteld kind noodzakelijk is (artikel 1:265g, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Beoordeeld moet dus worden of vaststelling van een zorgregeling in het belang van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk is. Het antwoord op die vraag is voor [minderjarige 1] niet hetzelfde als voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderrechter legt hierna uit waarom.
5.2.
[minderjarige 1] heeft al een tijdje geen contact meer met zijn moeder. De kinderrechter merkt op dat het voor de (identiteits-)ontwikkeling van een kind van groot belang is dat hij met allebei zijn ouders contact heeft. Het kind en de ouders hebben daar ook recht op. Het afdwingen van contact zal het herstel van de relatie tussen [minderjarige 1] en zijn moeder echter niet bevorderen. Het vaststellen van een verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder, in die zin dat de moeder ook een deel van deze taken op zich zal nemen, is daarom op dit moment niet in het belang van [minderjarige 1] . Er zal eerst moeten worden gewerkt aan herstel van de relatie tussen [minderjarige 1] en zijn moeder. Het is aan de GI om, in het kader van de lopende ondertoezichtstelling, daar hulp voor in te schakelen, die hulpverlening te monitoren en zo nodig aanvullende hulp in te schakelen. De GI heeft te kennen gegeven dat het gezin op de wachtlijst staat van het Rotterdams Omgangshuis. Doordat er nog geen begin is gemaakt met contactherstel, valt er nog niets te zeggen over het verloop daarvan. Het vaststellen van een zorgregeling die pas hoeft te worden nageleefd als [minderjarige 1] daar aan toe is, is op dit moment daarom ook niet in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk. De kinderrechter wijst het verzoek dus af voor wat [minderjarige 1] betreft.
5.3.
Voor wat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] betreft geldt dat de zorg- en opvoedingstaken in onderling overleg zijn verdeeld. De vader wil dat de verdeling blijft zoals deze nu is. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , de moeder en de GI willen dat de verdeling wordt aangepast. Vaststelling van een zorgregeling creëert duidelijkheid en rust. Dat is in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderrechter zal daarom voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wel een zorgregeling vaststellen.
5.4.
De huidige afspraak houdt in dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] eens in de twee weken een kleine 24 uur (van zaterdag 16.30 uur tot zondag 16.00 uur) bij de vader verblijven. De tijd die zij met hun vader en hun broer kunnen doorbrengen is dus beperkt. De kinderrechter acht uitbreiding hiervan in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De kinderrechter zal daarom bepalen dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (eens in de twee weken) het hele weekend bij de vader verblijven. Dat wil zeggen: van vrijdag uit school (15.15 uur) tot zondag 19.00 uur. De bezwaren die de vader heeft geuit zijn niet van dien aard dat uitbreiding van zijn zorg- en opvoedingstaken in het weekend onmogelijk moet worden geacht. De kinderrechter merkt daarbij op dat op beide – met het ouderlijk gezag belaste – ouders de plicht rust om hun kind(eren) te verzorgen en op te voeden (artikel 1:247 lid 1 BW).
5.5.
Voor verdere uitbreiding van de zorg- en opvoedingstaken van de vader is de tijd (nog) niet rijp. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen al lange tijd bij de moeder en hebben – mede door de zomervakantie – in de afgelopen maanden niet bij de vader verbleven. De kinderrechter acht het daarom wenselijk dat eerst wordt bekeken hoe de huidige uitbreiding verloopt voordat de zorgregeling verder wordt uitgebreid met, bijvoorbeeld, een verdeling van de schoolvakanties. Een dergelijke uitbreiding kan ook in onderling overleg tussen de vader, de moeder en de GI. Tot slot merkt de kinderrechter nog op het belangrijk te vinden dat de vastgestelde zorgregeling zo veel mogelijk doorloopt in de schoolvakanties, zodat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook in vakantieperiodes tijd met hun vader en hun broer kunnen doorbrengen. Die continuïteit in de omgang met en de verzorging en opvoeding door de vader is in het belang van de kinderen, en daarmee ook in dat van de ouders.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
bepaalt als verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders dat de bij de moeder wonende [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de oneven weken in het weekend bij de vader verblijven, die hen op vrijdag om 15.15 uur uit school haalt en hen op zondag om 19.00 uur bij de moeder brengt;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H. Biemond, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2024, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.