Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-02
ECLI:NL:RBROT:2024:13688
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,721 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/683006 / JE RK 24-1606
Datum uitspraak: 2 september 2024
Beschikking van de kinderrechter over de vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Ben Ahmed, kantoorhoudende te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 4 juli 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 september 2024. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord;
de moeder bijgestaan door mr. S. Kocak (waarnemend voor mr. S. Ben Ahmed);
een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft in een pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 8 januari 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 22 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 9 juli 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 22 januari 2025.
2.5.
De GI heeft op 24 juni 2024 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
De GI stelt de volgende regeling vast:
- De omgang tussen [minderjarige] en moeder vindt een uur per week begeleid plaats;
- [minderjarige] wordt niet belast met volwassenproblematiek en de uithuisplaatsing (tijdens de omgang, telefonisch en via social media);
- [minderjarige] ervaart onbelast en positief contact met de moeder;
- De omgang tussen [minderjarige] en moeder vindt drie keer begeleid door opa moederszijde/Enver/JBRR/ plaats;
- Na drie omgangsmomenten vindt er een evaluatiegesprek met zowel alle betrokkenen ( [minderjarige] , moeder en opa) plaats. Op basis hiervan zal worden besloten hoe en in welke vorm de omgang verder vormgegeven zal worden.
3Het verzoek
3.1.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel, dan wel gedeeltelijk vervallen te verklaren, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Door en namens de moeder wordt het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De moeder voelt zich buitenspel gezet door de schriftelijke aanwijzing. Er wordt onvoldoende rekening gehouden met het belang van [minderjarige] , wat de band tussen [minderjarige] en de moeder verslechtert. De moeder merkt dat [minderjarige] graag in de buurt van de moeder is, aangezien [minderjarige] vaak rond het huis van de moeder hangt en [minderjarige] zegt dat zij bij de moeder wil zijn. De moeder begrijpt niet waarom [minderjarige] tegen de GI iets anders zegt. De moeder wil dat de omgangsmomenten onbegeleid zijn, omdat de begeleide omgangsmomenten houterig verlopen. [minderjarige] weet bijvoorbeeld niet of zij de moeder een knuffel mag geven. Bovendien wordt er niet voldaan aan de gronden van artikel 1:263 van het Burgerlijk Wetboek. Er is geen sprake van onwil van de moeder om mee te werken, maar eerder van bezwaar tegen algemene zaken, zoals het gevoel dat de moeder onvoldoende wordt betrokken bij de besluitvorming.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI voert verweer tegen het verzoek. [minderjarige] heeft aangegeven dat er sprake was van belastend contact met de moeder. Om die reden is besloten de bezoeken in te perken en deze begeleid te laten plaatsvinden. Dit is vastgelegd in een schriftelijke aanwijzing, waarin is bepaald dat na drie bezoeken een evaluatie zou volgen. Na de evaluatie is besloten de omgang uit te breiden naar twee uur begeleid om de week en twee uur onbegeleid om de week. Aanstaande woensdag vindt er een overleg plaats met pleegzorg, waarbij de voortgang opnieuw zal worden besproken. Vanuit dat punt zal worden beoordeeld of verdere uitbreiding van de omgang mogelijk is.
Beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:265f van het BW kan de gecertificeerde instelling de contacten tussen de ouders en de kinderen beperken voor zover noodzakelijk in verband met de uithuisplaatsing. Deze beslissing van de gecertificeerde instelling geldt als een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter kan op grond van artikel 1:264 BW deze schriftelijke aanwijzing op verzoek van de ouders geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren
5.2.
Op basis van de stukken en de mondeling behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de GI bij het geven van de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig te werk is gegaan, en de noodzaak van die schriftelijke verklaring ook voldoende heeft gemotiveerd. Er is daarom geen grond deze vervallen te verklaren.
5.3.
De kinderrechter merkt op dat een vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing ook geen verandering brengt in de feitelijke situatie. De aanwijzing zag op de eerstvolgende drie bezoekmomenten, die inmiddels al hebben plaatsgevonden. Na deze bezoekmomenten is is de omgang al verder uitgebreid en de GI heeft aangegeven verdere uitbreiding te zullen overwegen. De kinderrechter benadrukt dat het de taak is van de GI om dit te onderzoeken, vooral omdat zowel [minderjarige] als de moeder dit wenselijk vinden.
5.4.
De kinderrechter zal het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing afwijzen.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2024 door mr. W.J. Loorbach , kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 13 september 2024.