Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-19
ECLI:NL:RBROT:2024:13666
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,356 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team jeugd
Zaaknummer: C/10/689099 / JE RK 24-2444
Datum uitspraak: 19 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 november 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
Bij beschikking van 21 december 2023 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 30 december 2024.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De afgelopen maanden is er sprake van een positieve ontwikkeling. De ouders zijn zelf aan de slag gegaan om het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen. Door het werk van de vader is er geen structurele omgang met de kinderen. De ouders spreken in onderling overleg af op welke momenten de vader de kinderen ziet. De GI acht een verlenging van de ondertoezichtstelling nog noodzakelijk om passende hulpverlening in te zetten. De hulpverlening komt niet van de grond, omdat de moeder de afspraken niet nakomt. Er zijn zorgen over het gedrag van [minderjarige 1] , waarvoor de GI een diagnostisch onderzoek wil aanvragen. Aan de hand van de uitkomst van dit onderzoek wil de GI passende hulpverlening in de thuissituatie inzetten om de moeder handvatten te geven in de opvoeding van de kinderen. De GI zal contact opnemen met de school over het verstrekken van informatie aan de vader.
4.2.
Door de vader wordt ter zitting naar voren gebracht dat hij meer betrokken wil worden bij de kinderen. Door het werk lukte het de vader niet om de afspraken met de GI na te komen. Daarom neemt de vader voor het plannen van omgangsmomenten contact op met de moeder. Dit gaat goed. De vader wil meer betrokken worden en informatie over de kinderen ontvangen van school. Momenteel ontvangt de vader deze informatie van de moeder. De vader heeft contact opgenomen met de school, maar tot op heden ontvangt de vader geen informatie vanuit school en wordt hij niet uitgenodigd voor ouderavonden.
4.3.
Door de moeder wordt ter zitting naar voren gebracht dat er geen noodzaak is om de ondertoezichtstelling te verlengen. De ouders hebben buiten de jeugdbescherming om het onderlinge contact verbeterd. De vorige jeugdbeschermer is zonder medeweten van de ouders gestopt, waarna de ouders samen zijn gestart met het contactherstel tussen de vader en de kinderen. In onderling overleg spreken de ouders af op welke momenten de vader de kinderen ziet. Daarnaast deelt de moeder de informatie van bijvoorbeeld de school van de kinderen aan de vader. De moeder vraagt al vijf jaar om een onderzoek naar het gedrag van [minderjarige 1] . Tot op heden is er nog geen onderzoek gestart. Daarnaast gaat het beter op school. De moeder heeft haar routine thuis aangepast, waardoor het schoolverzuim is verminderd.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
De afgelopen periode is er gewerkt aan het contactherstel van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de vader. De ouders hebben hiertoe zelf het initiatief genomen en hebben zonder tussenkomst van de jeugdbeschermer afspraken gemaakt. De communicatie tussen de ouders is verbeterd en in onderling overleg worden afspraken gemaakt over de omgang tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter geeft de ouders hiervoor complimenten. Positief is daarnaast dat het schoolverzuim van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verminderd. Tegelijkertijd is de positieve ontwikkeling nog pril en zijn er zorgen over het gedrag van [minderjarige 1] . Hiervoor is het belangrijk dat er een diagnostisch onderzoek plaatsvindt en aan de hand hiervan passende hulpverlening in gang wordt gezet. Het is van belang om te monitoren of de positieve ontwikkeling verder wordt voortgezet en dat door de GI voorts wordt onderzocht, gelet op hun beperkte rol van het afgelopen jaar, of er mogelijkheden zijn om verdere hulpverlening in het vrijwillig kader voort te zetten.
5.3.
Om een vinger aan de pols te houden en te bezien wat de uitkomsten zijn van het onderzoek naar [minderjarige 1] , verlengt de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor een kortere periode dan is verzocht, te weten voor de duur van zes maanden. De beslissing op het verzoek wordt voor het overige aangehouden tot de hierna te noemen pro forma datum.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.5.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk voor de hierna te noemen pro forma datum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de vader en de moeder) omtrent de dan huidige stand van zaken en daarbij te vermelden of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 30 juni 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.3.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 mei 2025 pro forma;
6.4.
bepaalt dat de GI, de vader en de moeder op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.5.
verzoekt de GI uiterlijk voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift daarvan aan de vader en de moeder) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024 door mr. M.A. van der Laan-Kuijt, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.N. van Geest als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.