Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-17
ECLI:NL:RBROT:2024:13486
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,484 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/689072 / JE RK 24-2438
Datum uitspraak: 17 december 2024
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [roepnaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M. ter Haar-Bas te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[naam oom mz] en [naam partner oom mz],
hierna te noemen de oom mz en de partner oom mz, tezamen te noemen de ooms mz, wonende te [woonplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 11 november 2024, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2024. Daarbij waren aanwezig:
de advocaat van de moeder;
een vertegenwoordigster van de Raad, te weten [persoon A] ;
twee vertegenwoordigers van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Zuid-Holland (hierna GI), te weten [persoon B] en [persoon C] ;
de oom mz en de partner oom mz.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [roepnaam minderjarige] .
2.2.
[roepnaam minderjarige] verblijft bij zijn oom mz en de partner van de oom mz.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [roepnaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam minderjarige] zijn oom mz en diens partner te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Ter zitting heeft de Raad het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [roepnaam minderjarige] heeft een belast verleden. Voordat [roepnaam minderjarige] bij de ooms mz verbleef, heeft hij bij zijn moeder gewoond. Nu [roepnaam minderjarige] bij de ooms mz verblijft, neemt zijn agressie af en heeft hij een stabiele woonsituatie. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek. Zij is emotioneel instabiel, agressief en er is sprake van geweld en overlast. De moeder komt haar afspraken niet na. Zo zegt de moeder dat zij naar de zitting komt, maar zij komt vervolgens niet opdagen. De moeder is onvoorspelbaar in haar gedrag tegenover [roepnaam minderjarige] , waardoor [roepnaam minderjarige] geen duidelijkheid heeft. De komende periode wil de Raad duidelijkheid over het perspectief van [roepnaam minderjarige] . Er dient duidelijk te worden of [roepnaam minderjarige] terug kan worden geplaatst bij de moeder. De moeder dient te laten zien dat zij open staat voor de hulpverlening.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft ter zitting het verzoek van de Raad ondersteund en het volgende meegedeeld. De GI acht een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing passend. Er is echter geen vaste jeugdbeschermer beschikbaar. De komende periode zal de GI in ieder geval een veiligheidsplan opstellen en een eventuele aanmelding bij de hulpverlening doen. De GI zal langsgaan bij de ooms mz, zodat het perspectief kan worden bepaald.
4.2.
Namens de moeder is ter zitting het volgende aangevoerd. De moeder is het niet eens met het verzoek van de Raad en zij wil dat de hulpverlening in het vrijwillig kader wordt ingezet. De moeder is bereid hieraan mee te werken. De betrokken hulpverleners hebben aangegeven dat de moeder meewerkt.
5De informanten
5.1.
De ooms mz hebben ter zitting het volgende meegedeeld. [roepnaam minderjarige] heeft veel meegemaakt de afgelopen jaren. Hij verblijft nu bij de ooms mz. Hier heeft hij een eigen plekje en een stabiele en veilige woonomgeving. [roepnaam minderjarige] laat een groei zien en is sociaal. De ooms mz maken zich zorgen over [roepnaam minderjarige] bij de moeder. Zo is er bij de moeder sprake van verslavingsproblematiek en zijn er zorgen over haar gezondheid. De moeder gaat om met personen die geen goede invloed op haar hebben. Daarnaast zijn er zorgen over de verstoorde band tussen de oom mz en de moeder. De moeder werkt niet mee aan de hulpverlening in het vrijwillig kader. Daarnaast komt de moeder de omgang niet na. Als het de moeder uitkomt, dan komt zij onaangekondigd langs.
Beoordeling
6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria voor een ondertoezichtstelling. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
6.2
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [roepnaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Bij de moeder is sprake van persoonlijke problematiek, waaronder middelen- en/of alcoholmisbruik, emotionele instabiliteit, agressie. Hierdoor is zij niet voldoende beschikbaar voor [roepnaam minderjarige] en heeft zij onvoldoende aangesloten bij zijn behoeften en het bieden van een veilige thuissituatie. [roepnaam minderjarige] heeft voor een langere periode geen veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid gekend. [roepnaam minderjarige] heeft daardoor gedragsproblemen laten zien. Zo kon hij agressief zijn, impulsief gedrag vertonen en kon grenzen opzoeken.
6.3.
De moeder is op dit moment onvoldoende bereid en in staat om zelfstandig de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. Eerdere aangeboden hulpverlening vanuit het Wijkteam is niet van de grond gekomen omdat er geen contact meer is met de moeder, omdat zij in beslag wordt genomen door haar eigen problematiek.
6.4.
De komende periode is het van belang dat het contact tussen de moeder en [roepnaam minderjarige] wordt opgebouwd voor zover dit veilig is voor [roepnaam minderjarige] . Daarnaast dient de moeder openheid van zaken te geven en mee te werken aan de hulpverlening. Ook dient het perspectief van [roepnaam minderjarige] te worden bepaald.
6.5.
De kinderrechter stelt daarom [roepnaam minderjarige] onder toezicht voor de duur van zes maanden, te weten tot 17 juni 2025. Daarnaast verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam minderjarige] zijn oom moederszijde en diens partner, te weten tot 17 juni 2025.
6.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt [roepnaam minderjarige] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 17 december 2024 tot 17 juni 2025;
7.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [roepnaam minderjarige] zijn oom moederszijde en diens partner met ingang van 17 december 2024 tot 17 juni 2025;
7.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024 door mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 8 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.