Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-05
ECLI:NL:RBROT:2024:13390
Civiel recht; Arbeidsrecht
Beschikking
2,651 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 10852412 HA VERZ 23-89
uitspraak: 5 december 2024
beschikking van de kantonrechter
in de zaak van:
[verzoeker] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker,
gemachtigde: mr. J.B. Kloosterman,
tegen
[verweerster]
,
gevestigd: Sliedrecht,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.A. Lacasa.
Partijen worden hierna mede aangeduid als ‘ [verzoeker] ’ en ‘ [verweerster] ’.
Procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
het verzoekschrift van [verzoeker] (ontvangen op 28 december 2023), met producties;
het verweerschrift, met bijlagen;
de akte van de zijde van [verzoeker] ;
de aanvullende bijlagen van de zijde van [verweerster] ;
de aantekeningen van mr. Kloosterman;
de spreekaantekeningen van mr. Lacasa en mr. Erzeybek.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 14 oktober 2024. Daarbij zijn beide partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
Beoordeling
De kern van het geschil
2.1.
In deze zaak gaat het in de kern om het volgende. [verzoeker] is van 4 januari 2021 tot 30 september 2023 in dienst geweest bij [verweerster] in de functie van productiemanager. Op de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is de cao voor Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing. [verzoeker] is van 11 juni 2021 tot het einde van de arbeidsovereenkomst arbeidsongeschikt geweest. Volgens hem is de arbeidsovereenkomst financieel niet correct afgewikkeld. Hij stelt dat 1) de transitievergoeding niet goed is berekend, 2) niet alle openstaande vakantie-uren zijn uitbetaald en 3) [verweerster] de cao niet juist heeft nageleefd. [verweerster] betwist dit alles gemotiveerd.
2.1.1.
Beide partijen krijgen (grotendeels) ongelijk. De proceskosten worden daarom gecompenseerd. Die beslissingen worden hierna verder uitgelegd.
De transitievergoeding
2.2.
Bij het einde van de arbeidsovereenkomst had [verzoeker] recht op de transitievergoeding, omdat de arbeidsovereenkomst door [verweerster] is opgezegd. Uit de loonstrook die door [verweerster] is opgemaakt bij de eindafrekening kan worden opgemaakt dat zij een bedrag van € 9.845,04 bruto aan transitievergoeding heeft uitbetaald.
2.2.1.
Volgens [verzoeker] is de transitievergoeding door [verweerster] niet goed berekend. Hij stelt dat hij tijdens zijn dienstverband met zijn vorige werkgever door [verweerster] actief is benaderd om bij haar in dienst te treden, met andere woorden: hij is ‘gehunt’. [verzoeker] voert aan dat voor de invoering van de WWZ in deze situatie de dienstjaren bij de vorige werkgever werden meegeteld bij de berekening van de ontbindingsvergoeding. Hij meent dat dit ook thans, dus onder de WWZ, redelijk is. Volgens [verzoeker] bedraagt de transitievergoeding in zijn geval
€ 109.866,59 bruto.
2.2.2.
In de situatie vóór de invoering van de WWZ (dus voor 2015) bood artikel 7:685 BW de mogelijkheid om een vergoeding naar billijkheid toe te kennen. Door invoering van de WWZ is echter deze vergoeding naar billijkheid verdwenen en is de transitievergoeding geïntroduceerd, net als de mogelijkheid om billijke vergoedingen toe te kennen. Artikel 7:673 lid 4 onder b bepaalt dat enkel in geval van opvolgend werkgeverschap voorafgaande arbeidsovereenkomsten worden meegeteld voor de berekening van de transitievergoeding. Niet gebleken is echter dat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Gesteld noch gebleken is namelijk dat [verweerster] ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze als opvolger van de vorige werkgever van [verzoeker] kan worden beschouwd.
2.2.3.
Ook als veronderstellenderwijs er van uit zou worden gegaan dat [verzoeker] is gehunt – dat wordt immers gemotiveerd betwist – én dat de huidige regelgeving andere mogelijkheden biedt dan de hiervoor genoemde om dienstjaren bij een vorige werkgever mee te rekenen, heeft te gelden dat in dit geval geen sprake is van een relatief snel einde aan een dienstverband nadat een werknemer is gehunt, maar een einde aan het dienstverband na twee jaar arbeidsongeschiktheid, na verleende toestemming van het UWV.
2.2.4.
De vordering tot betaling van een transitievergoeding, waarbij dienstjaren bij de vorige werkgever worden meegerekend, moet daarom worden afgewezen.
Uitbetaling van vakantie-uren
2.3.
[verzoeker] vordert ook betaling van opgebouwde, maar niet-genoten vakantie-uren. Uit de eindafrekening kan worden afgeleid dat [verweerster] 129,5 niet genoten vakantie-uren heeft uitbetaald. Volgens [verzoeker] is dat niet juist en hadden 399 uren moeten worden uitbetaald. Dit levert volgens [verzoeker] een verschil op van € 16.331,11 bruto, waarvan hij betaling vordert. Volgens [verweerster] heeft zij juist teveel vakantie-uren uitbetaald bij het einde van het dienstverband, omdat de vakantie-uren die waren opgebouwd tot en met 2022 inmiddels zijn vervallen. Zij vordert daarom nu (terug-)betaling van een bedrag van € 9.321,12 bruto.
Vervallen vakantie-uren
2.4.
Het verval van vakantiedagen, althans van de minimumaanspraak, is geregeld in artikel 7:640a BW. [verzoeker] voert aan dat van verval geen sprake kan zijn, omdat [verweerster] hem niet voldoende heeft gewaarschuwd voor het vervallen van zijn rechten en omdat hij niet in staat was om vakantie op te nemen.
2.4.1.
In beginsel kan ook een zieke werknemer vakantiedagen opnemen en kunnen deze vakantiedagen komen te vervallen. Ook bij ziekte heeft vakantie namelijk een recuperatiefunctie. Dat ligt slechts anders als de werknemer is vrijgesteld van zijn re-integratieverplichtingen. Dat dit laatste het geval was bij [verzoeker] komt uit de stukken niet naar voren.
2.4.2.
Met betrekking tot het verval geldt op grond van jurisprudentie van het HvJ EU verder dat – kort gezegd – een werkgever het mogelijke verval van vakantiedagen/-uren met een werknemer moet bespreken en hem zo nodig moet aanzetten om dagen op te nemen.
2.4.3.
[verweerster] heeft een brief van 21 september 2022 in het geding gebracht. Daarin schrijft zij onder meer: “middels deze brief attenderen wij u erop dat deze wettelijke vakantie-uren komen te vervallen, indien deze niet vóór 1 juli 2023 worden opgenomen. Houd er wel rekening mee dat u alleen op ‘vakantie’ kunt gaan, indien u daartoe voorafgaand toestemming van de werkgever en de bedrijfsarts hebt gevraagd en gekregen”.
Met deze brief heeft [verweerster] [verzoeker] in voldoende mate aangezet om dagen op te nemen. Nu [verzoeker] de dagen desondanks niet heeft opgenomen, is het aantal wettelijke uren zoals genoemd in de brief (105 uren), komen te vervallen.
Het saldo van de vakantie-uren
2.5.
Volgens [verweerster] heeft [verzoeker] in de eerste weken van zijn dienstverband maar halve dagen gewerkt en daarom 82 uur vakantie opgenomen. Dit heeft [verzoeker] betwist. Gelet op de op [verweerster] rustende administratieplicht had het op haar weg gelegen om deze opname van uren nader te onderbouwen met stukken. Dat is echter niet gebeurd. Daardoor is de stelling van [verzoeker] dat deze uren nog uitbetaald moeten worden onvoldoende gemotiveerd betwist en moeten deze uren nog uitbetaald worden.
2.5.1.
Verder stelt [verweerster] dat [verzoeker] op 12 mei 2021 en 21 mei 2021 verlof heeft opgenomen. Zij onderbouwt dit met schermafbeeldingen uit de agenda. [verzoeker] erkent dat hij de agenda heeft ingevuld en ook dat hij op de genoemde data en uren niet aanwezig was. Deze uren (totaal 4 uren volgens de agenda) zijn dan ook terecht op het verlofsaldo in mindering gebracht.
2.5.2.
Voor wat betreft de uren die [verweerster] heeft afgeschreven in juli 2021 geldt het bepaalde in artikel 7:638 lid 8 BW. Uit de overgelegde producties blijkt namelijk dat de vakantie al voor de ziekmelding van [verzoeker] was vastgesteld. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] uitdrukkelijk en gericht heeft ingestemd met het afboeken van deze vakantiedagen, nadat hij ziek werd. Deze vakantie (128 uren) heeft [verweerster] dus ten onrechte afgeschreven van het vakantiesaldo van [verzoeker] .
2.5.3.
Partijen zijn het erover eens dat [verzoeker] in 2022 vakantie heeft opgenomen. Ook zijn zij het erover eens dat bij het opnemen van vakantie 100% van het loon moest worden doorbetaald.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 14.594,90 bruto aan opgebouwde, maar niet genoten vakantie-uren;
3.2.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoeker] van een bedrag van € 313,94 bruto aan te weinig betaald loon tijdens genoten vakantie;
3.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
783
Zie productie 5 bij verzoekschrift
Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1603
de arresten van 6 november 2018 (Max Planck/Shimizu en Kreuziger/Land Berlin)
Bijlage 11 bij verweerschrift
Artikel 7:641 lid 2 BW
Bijlage 8 bij verweerschrift
Hoge Raad 17 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1603, r.o. 3.2.7
Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427