Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-25
ECLI:NL:RBROT:2024:13355
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,695 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer]
uitspraakdatum: 25 juli 2024
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 14 juni 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 17 juni 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 17 juli 2024.
Mr. J.A. Wesdijk, werkzaam bij GGN heeft namens Stichting Woonstad Rotterdam (hierna: verweerster) op 16 juli 2024 een bericht aan de rechtbank verzonden en hiermee laten weten dat namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.
Ter zitting van 17 juli 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mr. D.A. IJpelaar, werkzaam bij JAW Advocaten, advocaat van verzoeker (hierna: advocaat).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is alleenstaand en heeft een onderneming. Hij wil een oplossing voor zijn schulden en heeft zich daarom gemeld bij Zuidweg & Partners. Het eerste intake-gesprek heeft plaatsgevonden op 18 juni 2024. Het traject bevindt zich nu in de stabilisatiefase.
Verzoeker verdient € 2.750,00 per maand met de werkzaamheden uit zijn onderneming. Daarnaast ontvangt hij € 268,00 huurtoeslag. De maandelijkse huur bedraagt € 658,83 inclusief. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat er voldoende inkomsten zijn om de lopende huur te kunnen voldoen.
Sinds 13 juni 2024 wordt de lopende huur tijdig betaald. Verweerster heeft in haar bericht aan de rechtbank bevestigd dat de huur voor de maanden juni en juli 2024 tijdig voldaan is.
3Het verweer
Verweerster heeft via een mail laten weten dat ze zal instemmen met toewijzing van het verzoek, mits het verzoek wordt toegewezen onder de gebruikelijke voorwaarde: Dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. Wanneer de lopende huur niet tijdig wordt betaald, mag verweerster de woning alsnog ontruimen.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 21 mei 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 18 juni 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 28 maart 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Uit stukken is naar voren gekomen dat de huur van juni en juli 2024 tijdig is voldaan. Verzoeker heeft voldoende inkomsten (€ 2.750,00) om de maandelijkse huur (€ 658,83) te voldoen. Daarnaast heeft verzoeker een begin gemaakt met het minnelijk schuldhulpverleningstraject. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 28 maart 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan [adres], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 17 juni 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de schuldhulpverlener die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J, Tideman, rechter, en in aanwezigheid van C.C.Y. van Hoff, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2024.