Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-19
ECLI:NL:RBROT:2024:13208
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,190 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 19 december 2024
[verzoeker]
,
[adres]
[woonplaats],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 16 september 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 12 december 2024 zijn gehoord:
[verzoeker];
[naam 1], partner van verzoeker;
[naam 2], dochter en tevens tolk;
de heer M. Draër, schuldhulpverlener;
mevrouw F. Duyar, beschermingsbewindvoerder.
Na afloop van de zitting heeft de schuldhulpverlener op diezelfde dag – naar aanleiding van het verzoek van de rechtbank aan verzoeker op de zitting om een kopie van het strafvonnis (zie hierna onder beoordeling) – de rechtbank een e-mail gestuurd. Als bijlage bij die e-mail bevindt zich een kopie van de brief d.d. 28 augustus 2023 van het arrondissementsparket Rotterdam aan verzoeker waarin het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam van 9 augustus 2023 aan verzoeker is meegedeeld. Het vonnis is niet meegestuurd.
Feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit een Pw-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet (hierna: Fw) € 341.866,67. Verzoeker is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.
Beoordeling
Op grond van artikel 288 lid 2 onder c Fw wordt een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen, indien verzoeker schulden heeft welke voortvloeien uit een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling ter zake van een of meer misdrijven, welke veroordeling onherroepelijk is geworden binnen vijf jaar voor de dag van indiening van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelt dat hier sprake van is en is daartoe als volgt gekomen.
Verzoeker is op 9 augustus 2023 door de meervoudige strafkamer van deze rechtbank veroordeeld ter zake van het medeplegen van eenvoudig witwassen in de periode van 4 december 2020 tot en met 6 december 2020 en ter zake van het opzettelijk gebruik maken van een vals/ vervalst geschrift op 2 december 2020. Voor deze feiten is aan hem een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden opgelegd en een taakstraf voor de duur van 240 uren. Daarnaast is hij veroordeeld om de vordering van de benadeelde partij – de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) – te voldoen, te weten een bedrag van € 88.128,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening. Verzoeker heeft hierover – kort gesteld – dat het hiervoor genoemde bedrag een namens hem aangevraagde subsidie betrof van het RVO voor ondernemers tijdens de corona-pandemie. Hij heeft dat geld van het RVO ontvangen en heeft dat geld uitgegeven. Uit de veroordeling volgt dat hem van de aanvraag van dit bedrag een strafrechtelijk verwijt is gemaakt en dat hij kort gezegd veroordeeld is voor coronasteunfraude voor een bedrag van € 88.128,-, Verzoeker is van dit vonnis niet in hoger beroep gegaan.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient af te wijzen.
Voor toepassing van artikel 288 lid 3 Fw (de hardheidsclausule) ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding. Het gaat hier om een ernstig vermogensdelict – coronasteunfraude voor een fors bedrag – mede door verzoeker gepleegd. De strafrechtelijke veroordeling is bovendien recent want dateert van 9 augustus 2023. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van feiten en omstandigheden die toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling alsnog rechtvaardigen.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van
S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 december 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.