Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-10
ECLI:NL:RBROT:2024:13170
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,820 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 december 2024
[verzoeker]
,
wonende op een bij de deurwaarder bekend geheim adres te Rotterdam,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 25 november 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 25 november 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 december 2024.
Ter zitting van 3 december 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
de heer mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker.
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De heer IJpelaar heeft, namens verzoeker, op 5 december 2024 aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft verklaard dat hij gedurende een korte periode geen werk had, waardoor hij de huur van de maanden oktober 2024 en november 2024 niet kon betalen. De onderbreking van de werkzaamheden had te maken met de invoering van de wet DBA ( rechtbank: Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties). Er was veel onduidelijkheid en werkgevers waren huiverig. Verzoeker is ZZP ‘er en verricht schilderwerkzaamheden. Verzoeker heeft weer inkomsten uit een eigen onderneming. Verzoeker heeft inmiddels een nieuw project en werkt op dit moment 37,5 uur in de week. Hij factureert zijn werkzaamheden op weekbasis en heeft met dat inkomen voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verzoeker heeft de huur van de maand december voldaan. Desgevraagd verklaart verzoeker dat hij de afgelopen twee weken 37,5 uur per week heeft gewerkt en dat het project nog doorloopt.
Verzoeker wil een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij JAW advocaten en bij Zuidweg & Partners. Zuidweg & Partners heeft hem doorverwezen naar budgetbegeleiding bij de gemeente Rotterdam om hem verder te helpen met zijn schuldenproblematiek. Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat zij op korte termijn contact met hem zullen opnemen.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 8 november 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 26 november 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 31 oktober 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker werkt thans als ZZP’er op projectbasis. Hij is recent op een nieuw project gestart waar hij schilderwerkzaamheden verricht. Daarmee heeft hij, zo blijkt uit de overgelegde facturen en verklaringen van verzoeker en zijn advocaat ter zitting, voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur van de maand december is voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 31 oktober 2024 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
25 november 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 december 2024.