Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-17
ECLI:NL:RBROT:2024:13075
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,152 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 11420565 GZ VERZ 24-8745
registernummer: BM 45100
uitspraak: 17 december 2024
beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam, inzake opheffing meerderjarigenbewind
over de goederen van:
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
wonende te [adres],
hierna te noemen betrokkene.
Procesverloop
Op 22 november 2024 is ter griffie het verzoek ontvangen van de bij beschikking door de kantonrechter te Rotterdam d.d. 12 juli 2023 benoemde bewindvoerder [naam], h.o.d.n. [naam], t.h.o.d.n. [handelsnaam] om haar te ontslaan en een nog nader door de rechtbank voor te dragen bewindvoerder te benoemen.
Op 12 december 2024 is ter griffie het verzoek van de bewindvoerder ontvangen om het bewind over de goederen van betrokkene op te heffen.
Betrokkene heeft niet gereageerd op de brief van de rechtbank van 26 november 2024. Vanwege de spoedeisendheid (zoals blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen), ziet de kantonrechter geen aanleiding om de reactie van betrokkene af te wachten op de brief van de rechtbank van 10 december 2024, dan wel om een zitting te bepalen. Zij zal op grond van de stukken beslissen.
Beoordeling
De bewindvoerder verzoekt om opheffing van het bewind. Hij geeft aan dat betrokkene onacceptabel gedrag vertoont, waardoor de relatie met betrokkene onherstelbaar beschadigd is. Ter onderbouwing zijn e-mailberichten van betrokkene overgelegd.
Hieruit blijkt dat betrokkene ernstige beledigingen en dreigende taal heeft geuit aan het adres van zijn bewindvoerder, waaronder vele berichten met “Bitch!” en daarnaast: “Hey bitch! Grootste bitch ever! MIJ PART MAG JIJ DOOD NEERVALLEN! BITCH! FIJN WEEKEND! BITCH! HOPELIJK GEBEURD ER NOG WAT MET JE! Zijn we 1 BITCH minder! Samen met je kkr gezin!”
De kantonrechter oordeelt als volgt. Door de gedragingen van betrokkene kan de bewindvoerder zijn taak niet naar behoren uitvoeren. De bewindvoerder heeft veel geduld met betrokkene gehad en begrijpelijk is dat de maat voor de bewindvoerder nu vol is. Door het gedrag van betrokkene ligt het in de lijn der verwachting dat het bewind ook bij een andere bewindvoerder onwerkbaar zal zijn. Hierin ziet de kantonrechter aanleiding om het bewind op te heffen. Vanwege de dreigende houding van betrokkene zal de kantonrechter bepalen dat de bewindvoerder eindrekening en verantwoording moet afleggen aan de kantonrechter en niet aan betrokkene.
Gelet op het voorgaande en tegen de achtergrond van het gedrag van betrokkene aan het adres van de bewindvoerder vindt de kantonrechter het belangrijk om betrokkene te wijzen op het volgende. Mocht betrokkene een nieuwe bewindvoerder bereid vinden om hem nog een kans te geven, dan zal dat hernieuwde verzoek tot onderbewindstelling, gelet op de redenen van beëindiging alleen in een zeer uitzonderlijk geval in overweging worden genomen. Dat wil zeggen, als voldoende aannemelijk wordt dat betrokkene aantoonbaar inzicht heeft gekregen in de gevolgen van zijn gedragingen en zich in het vervolg aan de afspraken met zijn bewindvoerder zal houden en geen ongepaste taal meer gebruikt, laat staan bedreigingen uit.
Dictum
De kantonrechter:
heft per 18 december 2024 het bewind over de goederen van betrokkene op;
bepaalt dat de inschrijving van het bewind in het openbare centrale curatele- en bewindregister door de griffier ongedaan zal worden gemaakt;
bepaalt dat de bewindvoerder vóór 16 februari 2025 eindrekening en verantwoording dient af te leggen aan de kantonrechter;
stelt de beloning van de bewindvoerder voor het opmaken van de eindrekening en verantwoording vast overeenkomstig artikel 3 lid 5 sub d van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.J. Frikkee en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
799
Tegen deze beschikking kan in hoger beroep worden gegaan bij het gerechtshof Den Haag. Dit kan alleen worden ingesteld door een advocaat. Verzoeker en degenen aan wie een kopie van de beschikking is verstrekt moeten hoger beroep instellen binnen drie maanden na de datum van de beschikking. Voor andere belanghebbenden moet dit binnen drie maanden nadat zij van de beschikking op de hoogte zijn geraakt.