Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-20
ECLI:NL:RBROT:2024:12926
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,545 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/5012
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2024 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. J. de Back),
en
de Minister van Financiën, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Salhi).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de weigering van verweerder om private schulden over te nemen.
Met het primaire besluit van 20 januari 2023 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) geweigerd de schuld bij [bedrijf 1] ([bedrijf 1]) van € 5.592,04 en de schuld aan [bedrijf 2] ([bedrijf 2]) van € 1.000 van eiseres over te nemen.
Met het bestreden besluit van 7 juni 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dit besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling
1. Tussen 2004 en 2019 is de kinderopvangtoeslag van een groot aantal ouders onterecht stopgezet en is eerder verleende kinderopvangtoeslag van hen ten onrechte teruggevorderd. De ouders zijn door de aanpak van de Belastingdienst/Toeslagen in die tijd langdurig in een onmogelijke positie, in grote financiële problemen en in grote onzekerheid gebracht. Zij hebben financiële schade en zijn aangetast in hun rechtsgevoel, omdat zij zijn bestempeld als fraudeur. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en is een hersteloperatie gestart.
2. Onderdeel van de hersteloperatie toeslagen is dat de overheid bepaalde private schulden van een gedupeerde ouder kan overnemen. De regeling hiervoor was eerst opgenomen in het Besluit betalen private schulden (het Besluit), dat gold vanaf 29 oktober 2021. Op 2 november 2022 is deze regeling opgenomen in artikel 4.1 tot en met 4.5 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Deze afdeling heeft terugwerkende kracht tot en met 29 oktober 2021. Het overnemen van de geldschulden wordt op grond van een mandaat van Dienst Toeslagen uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN), namens de Minister van Financiën (hierna: verweerder).
Aanleiding van deze procedure
3. Eiseres is aangemerkt als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft aan de SBN een schuldenlijst verstrekt waarop vijf schulden staan. Bij het primaire besluit van 20 januari 2023 is geweigerd de schuld aan [bedrijf 1] te betalen. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Bestreden besluit
4. De schuld van eiseres aan [bedrijf 1] van € 5.592,04 wordt niet betaald, omdat niet is gebleken dat deze schuld vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden. De schuld aan [bedrijf 2] wordt niet betaald, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte die is opgemaakt tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021.
Standpunt van eiseres
5.1.
Tegen de weigering om de schuld aan [bedrijf 2] over te nemen, zijn geen gronden gericht. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de schuld van € 5.592,04 aan [bedrijf 1] binnen de referteperiode opeisbaar is geworden en is opgeëist. De schuld komt daarom in aanmerking voor afbetaling. Uit de door SBN opgevraagde informatie bij [bedrijf 1] van 21 maart 2023 staat bij “Opeisbaar stellen datum” vermeld: 31 mei 2021. Niet is gebleken dat deze datum onjuist is.
5.2.
Verder heeft eiseres een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. In de brief van SBN van 23 mei 2022 waarin een samenvatting van haar schuldenoverzicht is gegeven, staat duidelijk vermeld dat de schuld aan [bedrijf 1] aan de voorwaarden voldoet (code 1) en dat deze wordt afbetaald. Door op deze concrete toezegging terug te komen heeft verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel gehandeld.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank beoordeelt de vraag of verweerder de weigering van het betalen van schulden van eiseres bij [bedrijf 1] terecht heeft gehandhaafd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
7. Volgens eiseres handelt verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel door de schuld aan [bedrijf 1] niet over te nemen. Deze, meest verstrekkende, beroepsgrond behandelt de rechtbank als eerste. Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel geldt het volgende toetsingskader. Er moeten drie stappen worden doorlopen. De eerste stap is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die bij de betrokkene redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Hierbij geldt bij de vraag of er sprake is van een toezegging, meer de nadruk moet worden gelegd op hoe een uitlating bij een redelijk denkende burger overkomt en minder op wat het bestuursorgaan daarmee bedoelde. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of, als er sprake is van een toezegging, die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Daarbij geldt dat een toezegging kan worden toegerekend aan het bevoegde orgaan, indien de betrokkene op goede gronden mocht veronderstellen dat degene die de toezegging heeft gedaan de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte. Indien beide voorgaande vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid. Daarbij moeten de betrokken belangen tegen elkaar worden afgewogen. Er kunnen tegenover het belang van degene bij wie gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt, zwaarder wegende belangen zijn, gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en belangen van derden.
Tegen de achtergrond van dit kader overweegt de rechtbank als volgt.
8. Eiseres beroept zich op de brief van SBN van 23 mei 2022 met als onderwerp ‘Samenvatting schuldenoverzicht’ waarin staat:
“[…]
U hebt op 21 januari 2022 uw schuldenlijst aan ons gestuurd. Dat hebt u gedaan, omdat u een gedupeerde ouder of toeslagpartner bent van de kinderopvangtoeslagaffaire. U komt als gedupeerde in aanmerking voor afbetaling van uw schulden die binnen het Besluit betalen private schulden vallen. Wij willen deze schulden zo snel mogelijk voor u afbetalen. In deze brief -de samenvatting schuldenoverzicht - vertellen we u welke bedragen wij wel, voor
een deel of niet gaan betalen aan de schuldeisers.
[…]
De bedragen hebben we in een schuldenoverzicht gezet
Hieronder staan alle bedragen die wij doorgekregen hebben. Het kan zijn dat we schulden voor een deel of niet afbetalen. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn. Dat geven we aan met een code bij elk bedrag. Op de laatste pagina van deze brief leggen we uit wat de code betekent.
Betaling
Schuldeiser Referentie bedrag wel niet deel code
[bedrijf 1] [nummer]/Wehkamp 4.448,45 X 1
Hebt u vragen?
Voor vragen of opmerkingen over uw schuldenoverzicht kunt u ons service center bellen op telefoonnummer […]. Doe dat binnen 14 dagen na de datum die op de brief staat.
Horen we niets van u? Dan ontvangt u de beschikking. Daarna gaan wij de bedragen betalen aan de schuldeiseres. U hoeft hier zelf niets meer voor te doen.”
Op de bijlage bij deze brief met ‘uitleg van de codes in het schuldenoverzicht’ staat bij code 1 vermeld:
“1. Deze schuld voldoet aan de regels van het Besluit betalen private schulden. We betalen deze schuld helemaal af.”
9.1.
De eerste stap is de vraag of deze brief beschouwd moet worden als een toezegging. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Zij volgt dus niet de uitleg van verweerder, die zich op het standpunt heeft gesteld dat deze brief slechts een indicatie en vooraankondiging is van de nog te nemen (primaire) beschikking. De tekst van de brief wekt redelijkerwijs, voor de redelijk denkende burger, de indruk dat welbewust het standpunt is ingenomen dat de schuld aan [bedrijf 1] zal worden overgenomen. Van belang is daarbij dat er geen voorbehoud door SBN is vermeld en er geen woord wordt gewijd aan eventuele situaties waarin de schuld toch niet zal worden overgenomen.
Conclusie
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
11. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat de schuld aan [bedrijf 1] door verweerder moet worden overgenomen.
12. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet die vergoeding betalen. In de bezwaarfase heeft eiseres geen kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. De vergoeding van de kosten in beroep is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.750,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 7 juni 2023;
- herroept het besluit van 20 januari 2023;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.F.A.M. Errington-Quaedvlieg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) neemt verweerder een schuld over als deze:
a. is ontstaan na 31 december 2005;
b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden; en
c. niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.
Op grond van artikel 4.1, derde lid van de Wht worden geldschulden en kosten overgenomen, die zijn:
een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen;
e bij een overgenomen of over te nemen opeisbare geldschuld bijkomende kosten;
en geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en
bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3.
Op grond van artikel 4.1, vierde lid sub b van de Wht zijn geldschulden en kosten die niet worden overgenomen:
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden.
Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.2 en volgende.