Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-12
ECLI:NL:RBROT:2024:12660
Civiel recht
Kort geding
2,562 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/687957 / KG ZA 24-1002
Vonnis in kort geding van 12 december 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
statutaire vestigingsplaats: Kinderdijk,
eiseres,
advocaten mrs. M.E.J. van Bunge en A. Snelders te Rotterdam,
tegen
1 [naam bedrijf] , tevens handelend onder de naam
[gedaagde 1]
,
statutaire vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde sub 1,
vertegenwoordigd door gedaagde sub 2,
en
2 [gedaagde 2] ,
woonplaats: Zwijndrecht,
gedaagde,
die zelf is verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hierna samen ‘ [gedaagde 1] c.s.’ genoemd.
1Waar gaat de zaak over?
1.1.
[eiseres] en [gedaagde 1] hebben in de periode van eind oktober 2023 tot en met eind april 2024 samengewerkt. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] . Volgens [eiseres] is zij tijdens de samenwerking bereid geweest om tijdelijk een aantal goederen van [gedaagde 1] c.s. in haar loods op te slaan, maar hebben [gedaagde 1] c.s. die goederen – ondanks dat dit mondeling is afgesproken en ondanks dat [eiseres] hier meerdere keren om heeft gevraagd – nooit meer opgehaald. In deze zaak vordert [eiseres] daarom, na vermindering van haar eis, dat [gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld om de goederen (onder druk van een dwangsom) uit de loods van [eiseres] te verwijderen en om € 925,00 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen. [gedaagde 1] c.s. zijn het hier niet mee eens. Volgens [gedaagde 1] c.s. heeft [eiseres] de goederen voor een klein prijsje van haar overgenomen en zijn de spullen daarom in de loods van [eiseres] gezet. De voorzieningenrechter veroordeelt [gedaagde 1] om de goederen (onder druk van een dwangsom) binnen veertien dagen na vandaag uit de loods van [eiseres] te verwijderen en veroordeelt [gedaagde 1] om € 925,00 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te betalen. Dit wordt hierna uitgelegd.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 20 november 2024, met bijlagen 1 tot en met 20;
de akte houdende aanvullende productie van [eiseres] , met bijlage 21;
de mondelinge behandeling op 28 november 2024;
het schriftelijke verweer van [gedaagde 1] c.s., dat tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde 2] is voorgedragen;
de pleitaantekeningen van mr. Snelders;
de schriftelijke eisvermindering van [eiseres] , die tijdens de mondelinge behandeling is overhandigd.
Beoordeling
[gedaagde 1] c.s. konden geen tegenvordering instellen
3.1.
Uit het schriftelijke verweer van [gedaagde 1] c.s. volgt dat zij in deze zaak tegenvorderingen willen instellen. Voor het instellen van tegenvorderingen in een kort geding bij de voorzieningenrechter is evenwel bijstand van een advocaat vereist en [gedaagde 1] c.s. procederen in deze zaak zonder bijstand van een advocaat. Daardoor is het voor hen niet mogelijk om in deze zaak tegenvorderingen in te stellen. De voorzieningenrechter laat de tegenvorderingen van [gedaagde 1] c.s. daarom buiten beschouwing.
Het spoedeisend belang
3.2.
Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vorderingen vloeit voort uit haar – door [gedaagde 1] c.s. onweersproken gelaten – stelling dat zij in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd doordat de goederen in haar loods staan.
De vordering van [eiseres] wordt toegewezen tegenover [gedaagde 1] en afgewezen tegenover [gedaagde 2]
3.3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen de partijen niet in geschil is dat de goederen waar het in deze zaak over gaat, komen uit een winkel die [gedaagde 1] in Goes exploiteerde. De factuur die voor de beweerdelijke verkoop van de goederen aan [eiseres] is verstuurd, is ook afkomstig van [gedaagde 1] . Er is door [eiseres] niets gesteld op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat de goederen (ook) aan [gedaagde 2] persoonlijk toebehoren. Het is de voorzieningenrechter daardoor onduidelijk op welke grond [gedaagde 2] persoonlijk kan worden veroordeeld om de goederen uit de loods van [eiseres] te verwijderen. Gelet hierop wordt deze vordering van [eiseres] tegenover [gedaagde 2] afgewezen.
3.4.
De vordering van [eiseres] tegen [gedaagde 1] wordt wel toegewezen. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de betreffende goederen tijdelijk voor [gedaagde 1] heeft opgeslagen in haar loods. [eiseres] heeft ter onderbouwing hiervan onder meer gewezen op de reactie van [gedaagde 2] op schriftelijke verzoeken van [eiseres] aan hem om de betreffende spullen te komen ophalen. Uit deze reacties kan worden opgemaakt dat [gedaagde 2] toezegt de spullen te zullen (laten) ophalen (zie een WhatsApp-bericht van 25 april 2024 en een e-mail van 27 juni 2024, bijlagen 3 en 5 van [eiseres] ). Als [gedaagde 1] , zoals zij aanvoert als verweer, de goederen aan [eiseres] had verkocht en de goederen daarom in de loods van [eiseres] stonden, lag het op de weg van [gedaagde 1] om dat verweer te onderbouwen en ook uit te leggen waarom zij desondanks genoemde berichten aan [eiseres] heeft gestuurd. Dat heeft [gedaagde 1] niet gedaan. De enkele verwijzing naar een door haar kort na deze berichten aan [eiseres] verzonden factuur voor betaling van deze goederen is in dat verband onvoldoende. Het verweer van [gedaagde 1] wordt dan ook verworpen.
3.5.
[gedaagde 1] wordt veroordeeld om de goederen die beschreven staan in randnummer 13 van de dagvaarding en die te zien zijn op de foto die als bijlage 4 bij de dagvaarding is gevoegd uit het magazijn van [eiseres] te verwijderen. [gedaagde 1] krijgt daarvoor een termijn van veertien dagen na vandaag.
Dwangsom
3.6.
[eiseres] heeft [gedaagde 1] meerdere keren zonder resultaat gesommeerd om de goederen uit haar loods te verwijderen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om, zoals gevorderd, een dwangsom op te leggen voor het geval dat [gedaagde 1] nu nog steeds niet op tijd overgaat tot het verwijderen van de goederen uit de loods van [eiseres] . Die dwangsom wordt gesteld op € 100,00 per dag met een maximum van € 2.500,00 euro.
Vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten
3.7.
[eiseres] heeft [gedaagde 1] meerdere keren schriftelijk gesommeerd om de goederen uit haar loods te verwijderen. Om die reden is [gedaagde 1] de door [eiseres] gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 925,00 verschuldigd. Die vergoeding wordt dan ook toegewezen.
De proceskosten
3.8.
[eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde 2] betalen, omdat de vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 2] worden afgewezen en [eiseres] daarom in hun onderlinge verhouding de in het ongelijk gestelde partij is. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op € 320,00 aan griffierecht.
3.9.
[gedaagde 1] moet de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen, omdat de vorderingen van [eiseres] tegen [gedaagde 1] worden toegewezen en [gedaagde 1] daarom in hun onderlinge verhouding de in het ongelijk gestelde partij is. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 115,74
- griffierecht € 688,00
- salaris advocaat € 715,00 (tarief eenvoudige zaak)
- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.696,74
3.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
3.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Dictum
De voorzieningenrechter:
4.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om de bij [eiseres] op locatie [adres] ( [postcode] ) in Leusden opgeslagen goederen van [gedaagde 1] , zoals beschreven in randnummer 13 van de dagvaarding en te zien op de foto die als bijlage 4 bij de dagvaarding is gevoegd, binnen veertien dagen na vandaag te verwijderen en verwijderd te houden;
4.2.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 100,00 per dag dat zij het in overweging 4.1. geformuleerde verbod niet op tijd nakomt, met dien verstande dat [gedaagde 1] maximaal € 2.500,00 aan dwangsommen kan verbeuren;
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 2] van € 320,00;
4.4.
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiseres] van € 1.696,74, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde 1] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.5.
veroordeelt [gedaagde 1] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2024.
3349 / 1582