Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-18
ECLI:NL:RBROT:2024:12487
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,256 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/688546 / JE RK 24-2366
Datum uitspraak: 18 november 2024
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam 1]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1],
[naam 2]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2],
advocaat: mr. T. Arkesteijn, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam 3]
,
hierna te noemen: de informant.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 oktober 2024, ontvangen op 31 oktober 2024;
het gezinsplan van de GI van 14 november 2024, ontvangen op diezelfde datum;
het e-mailbericht van mr. T. Arkesteijn van 15 november 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 18 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader met zijn advocaat;
de informant;
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam 4].
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn vader.
2.3.
Bij beschikking van 28 maart 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 9 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin te verlenen voor de duur van een jaar.
3.2.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er bestaan zorgen over de thuissituatie bij de vader. Er vinden regelmatig escalaties plaats tussen [minderjarige], zijn broer [naam 5] en de vader. [minderjarige] voelt zich onveilig en het lukt hem niet altijd om zich aan afspraken te houden. [minderjarige] is al eerder, in januari 2024, uithuisgeplaatst binnen het netwerk. Dit was bij een broer van de vader. De inzet van MST vanuit de Viersprong heeft onvoldoende tot een verbetering in de situatie geleid. Op 16 oktober 2024 heeft er een incident plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige], waarna [minderjarige] is weggelopen. Sindsdien verblijft hij bij de informant. De GI is van mening dat de situatie bij de informant veilig is. Wanneer de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de informant zal verlenen, zal pleegzorg ook een screening uitvoeren. Het is in het belang van [minderjarige] om vanuit een neutrale plek een positief contact met beide ouders op te bouwen. Wanneer de plaatsing van [minderjarige] bij de informant niet slaagt, lijkt een begeleid wonen traject passend. [minderjarige] is daarnaast aangemeld bij Urban Skillsz. Er zal op korte termijn een intakegesprek plaatsvinden.
4De standpunten
4.1.
De moeder stemt tijdens de mondelinge behandeling in met het verzoek van de GI. De moeder maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige]. Er moet bekeken worden welke verblijfplek het meest passend is voor [minderjarige]. Daarnaast moet er passende hulpverlening worden ingezet.
4.2.
Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De vader vindt het niet nodig om een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De vader wil [minderjarige] de ruimte geven die hij nodig heeft en gaat akkoord met het verblijf van [minderjarige] bij de informant. Wel wil de vader dat [minderjarige] terug naar huis kan wanneer hij daar zelf aan toe is.
4.3.
De informant brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat het goed gaat met [minderjarige]. Hij gaat naar school, komt op tijd thuis en heeft weinig aansturing of begrenzing nodig. De informant staat ervoor open om de verzorging van [minderjarige] voor een langere periode op zich te nemen.
Beoordeling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [minderjarige] sinds oktober 2024 bij de informant verblijft, na een incident dat heeft plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de vader. Er hebben regelmatig escalaties plaatsgevonden tussen [minderjarige], zijn broer [naam 5] en de vader. [minderjarige] ervaart dat hij wordt achtergesteld en voelt zich onveilig. Waar het [minderjarige] bij de vader niet lukt om zich aan afspraken te houden, houdt [minderjarige] zich bij de informant wel aan de regels. De informant heeft aangegeven dat [minderjarige] weinig begrenzing of aansturing nodig heeft. De kinderrechter overweegt dat de inzet van intensieve hulpverlening in de thuissituatie van de vader, MST, onvoldoende tot een verbetering van de situatie heeft geleid. Gelet hierop acht de kinderrechter het op dit moment in het belang van [minderjarige] dat zijn verblijf bij de informant de komende periode gecontinueerd wordt. [minderjarige] heeft zelf ook duidelijk aangegeven dat dit is wat hij wil. De kinderrechter acht het van belang dat er aandacht blijft bestaan voor een positief contact tussen [minderjarige] en de ouders en dat passende hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet.
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 9 april 2025, en het overig verzochte afwijzen, nu een machtiging tot uithuisplaatsing de duur van de ondertoezichtstelling niet kan overschrijden.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin met ingang van 18 november 2024 tot 9 april 2025;
6.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2024 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van L.M. Buurman als griffier, en op schrift gesteld op 21 november 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.