Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-03
ECLI:NL:RBROT:2024:12448
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,663 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10-026752-22
Datum uitspraak: 3 december 2024
Verstek
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren in Letland op [geboortedatum],
verblijvende op het adres:
[adres].
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit in die zin dat sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag;
veroordeling van de verdachte tot een geldboete ter hoogte van € 1.500,-.
4Waardering van het bewijs
Op 2 september 2021 heeft op de rotonde van de Koninginneweg en de Pieter Zeemanstraat in Zwijndrecht een verkeersongeval plaatsgevonden. De verdachte heeft met een door hem bestuurde vrachtauto met oplegger een fietser, [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), aangereden. De verdachte heeft bij het verlaten van de rotonde niet gezien dat het slachtoffer op het fietspad van de rotonde de weg waar de verdachte op reed overstak. Op het kruisingsvlak kwam de fiets tegen de voorzijde van de vrachtauto als gevolg waarvan het slachtoffer ten val is gekomen. Het slachtoffer heeft hierdoor letsel opgelopen.
Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW)
Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank he volgende vast. De verdachte sloeg af bij de rotonde terwijl het slachtoffer op dat moment overstak op de vrijliggende fietsoversteekplaats. Het fietspad, een voorrangsweg, was voorzien van rood asfalt en gemarkeerd met haaientanden voor overige weggebruikers. De verdachte heeft verklaard dat hij weet dat hij fietsers voorrang dient te verlenen op een rotonde, maar dat hij het slachtoffer niet heeft gezien. Uit de verkeersongevallenanalyse is later gebleken dat de rechter buitenspiegel en rechter breedtespiegel van de vrachtauto foutief waren afgesteld. De zichtvelden van deze spiegels voldeden hiermee niet aan de wettelijke eisen. Hierdoor is aan de rechterzijde van de vrachtauto, en dus de kant waarvandaan het slachtoffer het fietspad overstak, een grotere dode hoek ontstaan. Het op de juiste wijze instellen van de spiegels is de verantwoordelijkheid van de bestuurder en dit mag ook verwacht worden van een ervaren beroepschauffeur als verdachte. Juist hij zou zich bewust moeten zijn van de gevaren van een vergrote dode hoek en de gevolgen die daardoor kunnen ontstaan. Door de combinatie van het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.
Bij het slachtoffer is zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Zij heeft onder andere schedelbreuken en hersenletsel opgelopen waardoor zij meerdere weken in coma heeft gelegen en meerdere maanden op de intensive care moeten verblijven. In september 2023, twee jaar na het ongeval, moest het slachtoffer nog een operatie aan haar schedel ondergaan en was zij nog niet volledig hersteld, voor zover dat überhaupt mogelijk is in de toekomst.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die zin dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 2 september 2021 te Zwijndrecht als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder (beroepschauffeur) van een motorrijtuig (vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, fietspad kruising op de rotonde van de Koninginneweg en de Pieter Zeemanstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- zijn aandacht daarbij niet voortdurend, in elk geval onvoldoende, op de weg en het verkeer voor en/of naast hem heeft gehouden en- aldus rijdende niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voor hem, verdachte, van rechts op/vanaf de rotonde geplaatst gecombineerde voetgangers- en fietsoversteekplaats komende fietser, inmiddels voornoemde kruising op was gereden en- heeft gereden terwijl de rechter buitenspiegel en de rechter breedtespiegel van de door verdachte bestuurde vrachtauto niet conform de wettelijke vereisten waren afgesteld
en aldus rijdend tegen die fietser is aangereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten (kans op) blijvend hersenletsel en één zwelling buiten de schedel en schedelbreuken en lucht in het hoofd en een bloeding tussen schedel en hersenen en een volumeverlies van de linker longdelen en een taalstoornis ten gevolge van het hersenletsel, werd toegebracht, .
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich als bestuurder van een vrachtauto schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. Zijn spiegels stonden niet goed afgesteld als gevolg waarvan de dode hoek was vergroot. De verdachte heeft een overstekende fietser niet opgemerkt en heeft haar geen voorrang verleend waardoor zij ten val is gekomen en onder de vrachtauto is beland. Met zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als weggebruiker veronachtzaamd, met name nu hij een professioneel bestuurder is die al vele jaren als beroepschauffeur werkt. Het slachtoffer heeft als gevolg van het ongeval zeer ernstig (hersen)letsel opgelopen waarvan zij lange tijd heeft moeten herstellen en mogelijk nog steeds niet volledig hersteld is.
Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 oktober 2024 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten en ook na het ongeval niet meer met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 120 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank merkt op dat een taakstraf niet goed uitvoerbaar is aangezien de verdachte de Letse nationaliteit heeft en niet in Nederland woont. Daarnaast dient een verdachte op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op de dag van het ongeval, te weten 2 september 2021, omdat de verdachte toen gehoord is over het feit. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim drie jaren verstreken. Deze vertraging is niet aan de verdachte te wijten en de zaak had eerder behandeld moeten worden. De redelijke termijn is dan ook ruimschoots geschonden. Daarmee wordt rekening gehouden bij de strafoplegging.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van een geldboete zoals door de officier van justitie geëist passend en geboden. Daarnaast zal in afwijking van de richtlijn, mede gelet op het belang van de verdachte om over een rijbewijs te kunnen beschikken, geen ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 6 en 175 van de Wegenverkeerswet 1994.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mrs. H.J. de Kraker en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 2 september 2021 te Zwijndrecht als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder (beroepschauffeur) van een motorrijtuig (vrachtauto met oplegger), daarmede rijdende over de weg, fietspad kruising op de rotonde van de Koninginneweg en de Pieter Zeemanstraat, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- zijn aandacht daarbij niet voortdurend, in elk geval onvoldoende, op de weg en het verkeer voor en/of naast hem heeft gehouden en/of
- ( daarbij) zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tijdig af te remmen of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( aldus rijdende) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voor hem, verdachte, van rechts op/vanaf de rotonde geplaatst gecombineerde voetgangers- en fietsoversteekplaats komende fietser, inmiddels voornoemde kruising op was gereden en/of
- heeft gereden terwijl de rechter buitenspiegel en/of de rechter breedtespiegel en/of de vooruitkijkspiegel van de door verdachte bestuurde vrachtauto niet conform de wettelijke vereisten was/waren afgesteld en/of,
en aldus rijdend tegen die fietser is aangebotst en/of aangereden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten (kans) blijvend hersenletsel en/of één of meer zwellingen zowel buiten als onder de schedel en/of op één of meer plaatsen schedelbreuken en/of lucht in het hoofd en/of (een) bloeding(e) tussen schedel en hersenen en/of een volumeverlies van de linker longdelen en/of een taalstoornis ten gevolge van het hersenletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 2 september 2021 te Zwijndrecht als bestuurder (bereopschauffeur) van een voertuig (vrachtauto met oplegger), daarmee rijdende op de weg, fietspad kruising op de rotonde van de Koninginneweg en de Pieter Zeemanstraat,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- zijn aandacht daarbij niet voortdurend, in elk geval onvoldoende, op de weg en het verkeer voor en/of naast hem heeft gehouden en/of
- ( daarbij) zijn snelheid niet zodanig heeft aangepast dat hij in staat was zijn voertuig tijdig af te remmen of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
- ( aldus rijdende) niet of niet tijdig heeft opgemerkt dat een voor hem, verdachte, van rechts op/vanaf de rotonde geplaatst gecombineerde voetgangers- en fietsoversteekplaats komende fietser, inmiddels voornoemde kruising op was gereden en/of
- heeft gereden terwijl de rechter buitenspiegel en/of de rechter breedtespiegel en/of de vooruitkijkspiegel van de door verdachte bestuurde vrachtauto niet conform de wettelijke vereisten was/waren afgesteld en/of,
en aldus rijdend tegen die fietser is aangebotst en/of aangereden,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.