Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-03
ECLI:NL:RBROT:2024:12359
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,358 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10.177889.22
Datum uitspraak: 3 december 2024
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. E. Janse, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 19 november 2024.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit in die zin dat sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag;
veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren;
ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Standpunt verdediging
Aangevoerd is dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) en dat het vastgestelde gedrag van de verdachte geen zwaardere vorm van schuld oplevert.
4.2.
Beoordeling
Op 9 juli 2022 heeft op de kruising van de Dwarsweg met de Lange Eendragtsweg in Goudswaard een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij de verdachte met de door haar bestuurde auto in botsing is gekomen met een auto waarin [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) reed. Op de weg waarop de verdachte reed, de Lange Eendragtsweg, staat een bord dat aangeeft dat aan het verkeer op de Dwarsweg voorrang moet worden verleend. Ook zijn op het wegdek haaientanden aangebracht. De verdachte is niet gestopt en zonder wezenlijke snelheidsvermindering de kruising genaderd en opgereden zonder het voertuig van het slachtoffer, dat van rechts kwam, voorrang te verlenen. Verder is uit onderzoek naar de digitale gegevens van de auto van de verdachte gebleken dat zij vijf seconden voor het ongeval met een snelheid van 78,19 km per uur reed en de dat de voertuigsnelheid in botsing 73,27 km per uur was. De maximumsnelheid ter plaatse is 60 km per uur. Na de botsing zijn beide auto’s in de nabijgelegen sloot beland. Bij het slachtoffer is als gevolg van deze aanrijding zwaar lichamelijk letsel ontstaan. Zij heeft onder meer hersenschade, breuken, interne bloedingen en ontstekingen opgelopen. Het slachtoffer heeft maandenlang in het ziekenhuis moeten verblijven, is meermaals geopereerd en is ook ten tijde van de zitting, ruim twee jaar na het ongeval, nog niet hersteld.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het ongeval aan de schuld van de verdachte te wijten is. De vervolgvraag is welke mate van schuld.
Vaststaat dat de verdachte met bijna twintig kilometer boven de maximumsnelheid is komen aanrijden bij de kruising en dat zij vervolgens niet de benodigde voorrang heeft verleend aan het kruisende voertuig van het slachtoffer. Het omschreven verkeersbord en de ‘haaientanden’ op de weg vragen extra oplettendheid en gerichte aandacht van een bestuurder voor verkeersdeelnemers die op de voorrangsweg rijden. De verdachte is zonder wezenlijk snelheid te verminderen het kruisingsvlak opgereden. De verdachte heeft verklaard dat zij bekend is met de kruising, wist dat zij voorrang moest verlenen en wist dat dit een gevaarlijk kruispunt kan zijn. Vanaf de weg waar de verdachte op reed bezien was het uitzicht op het kruispunt vrij en zonder objecten die het zicht konden belemmeren. Door dusdanig hard te rijden en met vrijwel onverminderde snelheid op deze voorrangskruising af te rijden heeft de verdachte het slachtoffer niet opgemerkt en geen voorrang verleend. Dit samenstel van gedragingen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend is geweest.
Conclusie
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die zin dat de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden waardoor zwaar lichamelijk letsel is ontstaan bij het slachtoffer.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:
zij op 9 juli 2022 te Goudswaard, gemeente Hoeksche Waard, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de Lange Eendragtsweg en/of de Dwarsweg,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,
-met een snelheid van ongeveer 78 km/u, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 km/u, de kruising van de Lange Eendragtsweg en de Dwarsweg is genaderd en-met een vrijwel onverminderde snelheid van ongeveer 74 km/u de kruising verder is genaderd en is opgereden en
-aldus rijdende haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een personenauto, bestuurd door [slachtoffer], die evengenoemde kruising inmiddels dicht was genaderd en
-in strijd met bebording en haaientanden op het wegdek die [slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en
-vervolgens in botsing is gekomen met dat door [slachtoffer] bestuurde voertuig, waarna dat voertuig in een watergang is beland;
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten schade verspreid in de hersenen van de lange uitlopers van de zenuwcellen, een bloeding in het linker netvlies, een breuk van een nekwervel, een doorbloedingsstoornis van de milt, linker nier (met zuurstofgebrek) en de lever, letsel aan de alvleesklier en de achterste buikwand),
werd toegebracht,
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
De straf die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door met te hoge snelheid een voorrangskruising te naderen, haar snelheid niet te verminderen en vervolgens geen voorrang te verlenen aan het slachtoffer. Met haar zeer onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s voor de verkeersveiligheid genomen. Het slachtoffer heeft door dit ongeval zeer zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waar zij nog altijd veel last van ondervindt. Tijdens de terechtzitting heeft het slachtoffer op indringende wijze onder woorden kunnen brengen wat de gevolgen van het ongeval voor haar zijn geweest en welke gevolgen dit nog steeds met zich meebrengt in haar dagelijks leven. Zij is na een reeks aan operaties en langdurig verblijf op de intensive care het vertrouwen in haar eigen lichaam verloren en in haar dagelijks leven afhankelijk van anderen.
De verdachte heeft op de terechtzitting meermaals spijt betuigd en haar excuses aan het slachtoffer aangeboden. Deze spijt komt de rechtbank oprecht over. De rechtbank ziet dat het ongeval ook veel impact heeft gehad op het leven van de verdachte. Zij heeft zich de gevolgen van het ongeval erg aangetrokken en hiervoor psychische hulp gehad. Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 oktober 2024 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient een verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 9 juli 2022, de datum van het ongeval. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim twee jaren verstreken zonder dat daar een goede reden voor is. Deze vertraging is niet aan de verdachte te wijten en de zaak had eerder behandeld moeten worden. De redelijke termijn is dan ook geschonden.
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank gelet op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Op basis van die oriëntatiepunten wordt in de regel voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld en waarbij bij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel is ontstaan, een taakstraf voor de duur van 160 uren opgelegd en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de schending van de redelijke termijn, ziet de rechtbank reden om daarvan af te wijken. De geëiste taakstraf door de officier van justitie doet echter onvoldoende recht aan de ernst van het feit en de heftige gevolgen daarvan voor het slachtoffer waardoor de rechtbank een taakstraf voor de duur van 120 uren zal opleggen, met daarbij een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid die in de praktijk inhoudt dat de verdachte haar rijbewijs niet opnieuw hoeft in te leveren.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig);
ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de verdachte de algemene voorwaarde, dat zij zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit, niet naleeft;
bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (zijnde zes maanden).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,
en mrs. H.J. de Kraker en B. Vaz, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
zij op of omstreeks 9 juli 2022 te Goudswaard, gemeente Hoeksche Waard, als
verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de Lange Eendragtsweg en/of de Dwarsweg,
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,
-met een snelheid van ongeveer 78 km/u, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 km/u, de kruising van de Lange Eendragtsweg en de Dwarsweg is genaderd en/of
-met een (vrijwel onverminderde) snelheid van ongeveer 74 km/u de kruisingverder is genaderd en/of is opgereden en/of
-(aldus rijdende) haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een personenauto, bestuurd door [slachtoffer], die evengenoemde kruising inmiddels dicht was genaderd en/of
-in strijd met bebording en haaientanden op het wegdek die [slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en/of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door [slachtoffer] bestuurde voertuig, waarna dat voertuig in een watergang is beland;
waardoor die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten schade verspreid in de hersenen van de lange uitlopers van de zenuwcellen, een bloeding in het linker netvlies, een breuk van een nekwervel, een doorbloedingsstoornis van de milt, linker nier (met zuurstofgebrek) en de lever, letsel aan de alvleesklier en de achterste buikwand),
of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
zij op of omstreeks 9 juli 2022 te Goudswaard, gemeente Hoeksche Waard, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg/wegen, de Lange Eendragtsweg en de Dwarsweg, althans op één van deze wegen, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg/wegen werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg/wegen werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat zij, verdachte, toen daar,
-met een snelheid van ongeveer 78 km/u, in ieder geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 60 km/u, de kruising van de Lange Eendragtsweg en de Dwarsweg is genaderd en/of
-met een (vrijwel onverminderde) snelheid van ongeveer 74 km/u die kruising verder is genaderd en/of is opgereden en/of
-(aldus rijdende) haar snelheid niet zodanig heeft geregeld dat zij, verdachte, haar voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover zij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-niet (tijdig) heeft opgemerkt dat een personenauto, bestuurd door [slachtoffer], die evengenoemde kruising inmiddels dicht was genaderd en/of
-in strijd met bebording en haaientanden op het wegdek die [slachtoffer] niet heeft laten voorgaan en/of
-(vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met dat door [slachtoffer] bestuurde voertuig, waarna dat voertuig in een watergang is beland.