Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-22
ECLI:NL:RBROT:2024:12264
Civiel recht; Arbeidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,642 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10822926 CV EXPL 23-32183
datum uitspraak: 22 november 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. A.W. van Leeuwen,
tegen
de rechtspersoon naar Duits recht
Allianz Global Corporate & Specialty SE,
vestigingsplaats: München, Duitsland,
gedaagde,
gemachtigde: prof. mr. drs. M. Heemskerk.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘Allianz’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 16 november 2023, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte van [eiser], met bijlagen;
de akte van Allianz, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van de gemachtigden.
1.2.
Op 22 augustus 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[eiser] en zijn echtgenote, met de gemachtigde;
namens Allianz: [naam 1], wettelijk vertegenwoordiger van Allianz in Nederland, [naam 2], HR business partner Allianz, met de gemachtigde.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[eiser] is in dienst geweest bij (de rechtsvoorganger van) Allianz en bouwde daar pensioen op. Allianz heeft de pensioenregeling per 1 januari 2013 gewijzigd. De toeslagverlening is van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk gegaan. [eiser] heeft hierover geprocedeerd. Bij arrest van 21 januari 2020 heeft het Hof Den Haag [eiser] in het gelijk gesteld. Het Hof heeft Allianz veroordeeld om de tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken bij ASR vanaf 1 januari 2013 onvoorwaardelijk te indexeren en om deze indexatie te financieren, op straffe van een dwangsom. [eiser] wil dat Allianz hem € 50.000,- aan dwangsommen betaalt omdat Allianz niet tijdig aan de veroordeling heeft voldaan. [eiser] eist daarnaast financiering aan ASR om aan [eiser] € 3.480,- per jaar uit te betalen voor indexatie over de periode 1 januari 2001 tot 1 januari 2013. Allianz is het met de eisen niet eens. De kantonrechter stelt Allianz in het gelijk. De vorderingen van [eiser] worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waar deze beslissing op is gebaseerd.
Wat is er gebeurd?
2.2.
[eiser] is sinds 1987 bij (een rechtsvoorganger van) Allianz in dienst geweest. [eiser] nam deel aan de pensioenregeling. Tot 1 januari 2001 heeft [eiser] pensioen opgebouwd bij AMEV (tegenwoordig ASR) op basis van een eindloonregeling. Vanaf 1 januari 2001 tot 1 juli 2020 heeft [eiser] pensioen opgebouwd bij SPAN(G) op basis van een middelloonregeling. Het tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioen is bij AMEV/ASR gebleven, er heeft geen waardeoverdracht plaatsgevonden. Vanaf 1 juli 2020 heeft [eiser] pensioen opgebouwd bij Lifetri.
2.3.
Per 1 januari 2013 heeft Allianz de pensioenregeling gewijzigd. De toeslagverlening was niet langer onvoorwaardelijk maar voorwaardelijk, op basis van de zogeheten overrente.
2.4.
[eiser] was het met deze wijziging van de pensioenregeling niet eens en heeft hierover geprocedeerd. Het Hof Den Haag heeft in zijn arrest van 21 januari 2020 – voor zover relevant – het volgende beslist:
“(…) veroordeelt Allianz en ASR tot nakoming van de pensioenovereenkomst, in die zin dat de door [eiser] tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken bij ASR, krachtens de maatstaf van artikel 16 van het AMEV pensioenreglement, vanaf 1 januari 2013 onvoorwaardelijk zullen worden geïndexeerd;
veroordeelt Allianz tot financiering van deze indexatie, dit op straffe van een dwangsom van € 250,- voor iedere dag na twee maanden na betekening van dit arrest, dat Allianz in gebreke blijft om aan dit arrest te voldoen, met een maximum van € 50.000,- (…)”;
2.5.
Allianz heeft ASR op 26 maart 2020 een indexatiekoopsom van € 62.702,- betaald voor de op de datum van het arrest tot en met 2020 verschuldigde onvoorwaardelijke indexatie voor de door [eiser] bij ASR opgebouwde pensioenaanspraken.
2.6.
[eiser] heeft het arrest van het Hof aan Allianz laten betekenen op 27 augustus 2020. ASR heeft tegen het arrest cassatieberoep in gesteld. Het oordeel van het Hof over de onvoorwaardelijke indexatie is in cassatie niet aan de orde gesteld.
2.7.
[eiser] ontvangt sinds 1 juni 2021 pensioen van ASR.
2.8.
Op 15 juli 2021 heeft Allianz alle toekomstige onvoorwaardelijke indexatie afgefinancierd door € 176.089,63 aan ASR te betalen.
2.9.
Op 25 augustus 2021 hebben Allianz en [eiser] een vaststellingsovereenkomst gesloten waardoor de arbeidsovereenkomst per 1 december 2021 is beëindigd.
Allianz is geen dwangsommen verschuldigd
2.10.
De gevorderde dwangsommen worden afgewezen. Allianz is namelijk geen dwangsommen verschuldigd, want zij heeft tijdig voldaan aan de veroordeling van het Hof. Allianz heeft ASR op 26 maart 2020, dus vóór de betekening van het arrest, een indexatiekoopsom van € 62.702,- betaald voor de op de datum van het arrest tot en met 2020 verschuldigde onvoorwaardelijke indexatie voor de door [eiser] bij ASR opgebouwde pensioenaanspraken. Allianz heeft een bankafschrift overgelegd waaruit de betaling blijkt. Allianz heeft de berekening van de koopsom onderbouwd met onder meer een notitie van Triple A – Risk Finance. [eiser] heeft de (juistheid van de) hoogte van de koopsom en de betaling daarvan aan ASR niet voldoende gemotiveerd betwist. Daarom staat vast dat de berekende koopsom juist is en dat deze is betaald aan ASR. Hierdoor heeft Allianz voldaan aan de veroordeling van het Hof om de onvoorwaardelijke indexatie over de tot 1 januari 2001 opgebouwde pensioenaanspraken vanaf 1 januari 2013 te financieren.
Allianz hoefde niet alle toekomstige indexatie bij voorbaat te financieren
2.11.
Allianz was niet verplicht om ook alle toekomstige onvoorwaardelijke indexatie tot aan de verwachte sterfdatum bij voorbaat te financieren. De Hoge Raad heeft in het AFM-arrest op 21 april 2023 geoordeeld dat het niet nodig is toekomstige indexatie vooraf te financieren als de onvoorwaardelijke indexatie is gekoppeld aan het deelnemerschap. Dat is bij [eiser] het geval.
2.12.
Het standpunt van [eiser] dat hij zowel tijdens het dienstverband (als deelnemer) als na beëindiging daarvan (als slaper en gepensioneerde) een onvoorwaardelijk recht op indexatie heeft, volgt de kantonrechter niet. Het klopt dat [eiser] als deelnemer een recht op onvoorwaardelijke indexatie had. Maar zoals Allianz terecht heeft betoogd, is dit een onvoorwaardelijk recht op indexatie met een voorwaardelijk element, namelijk dat hij deelneemt aan de regeling. Zodra deelname aan de pensioenregeling stopt (als [eiser] slaper of gepensioneerde wordt) heeft [eiser] geen recht op onvoorwaardelijke indexatie meer maar alleen een recht op voorwaardelijke indexatie.
2.13.
Het Hof heeft geoordeeld dat het recht van [eiser] op zijn bij AMEV/ASR opgebouwde pensioenaanspraken en de indexatie daarvan wordt beheerst door de achtereenvolgende cao’s. Volgens het Hof is de pensioenovereenkomst tussen [eiser] en Allianz neergelegd in die achtereenvolgende cao’s. Die pensioenovereenkomst in de achtereenvolgende cao’s geldt dus volgens het Hof - anders dan [eiser] meende - ook voor het pensioen dat [eiser] in dienst van (de rechtsvoorganger van) Allianz bij AMEV/ASR heeft opgebouwd.
2.14.
Het Hof heeft vastgesteld dat [eiser] als actieve deelnemer tot 1 januari 2013 op grond van de cao een onvoorwaardelijk recht op indexatie had over het bij AMEV/ASR opgebouwde pensioen. Volgens het Hof is de cao-wijziging waardoor dit onvoorwaardelijke recht op indexatie over de al opgebouwde pensioenaanspraken per 1 januari 2013 naar voorwaardelijk is gegaan, in strijd met artikel 20 van de Pensioenwet en dus niet geldig. Daarom heeft [eiser] als actieve deelnemer aan de pensioenregeling nog steeds een onvoorwaardelijk recht op indexatie van de bij AMEV/ASR opgebouwde pensioenaanspraken en is Allianz veroordeeld om dat te financieren. Die onvoorwaardelijke indexatie geldt alleen zolang [eiser] deelnemer is. Anders dan [eiser] meent, kan hij als gewezen deelnemer geen onvoorwaardelijk recht op indexatie ontlenen aan artikel 16 AMEV-reglement. Het Hof heeft alleen beslist dat de indexatiemaatstaf (de prijsindex met een maximum van 3%) van dat artikel moet worden toegepast en niet dat die bepaling verder van toepassing is tussen Allianz en [eiser]. Het Hof heeft juist geoordeeld dat de pensioenovereenkomst tussen Allianz en [eiser] wordt beheerst door de cao én dat slapers en pensioengerechtigden op grond van de cao al vanaf 2002 een voorwaardelijk recht op indexatie hebben.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van Allianz worden begroot op € 1.765,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
verklaart dit vonnis voor wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
34650
Zie productie 1 van Allianz
Zie productie 5 van Allianz
Hoge Raad 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:661 (AFM).
Zie arrest van het Hof, rechtsoverweging 5 e.v.
Zie arrest van het Hof, rechtsoverweging 14 e.v.