Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-12-03
ECLI:NL:RBROT:2024:12210
Civiel recht
Eerste aanleg - meervoudig
1,630 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
,
woonplaats: Nieuwegein,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. P. Vlaardingerbroek,
rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verzoek van verzoeker strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met zaak- en rekestnummer C/10/679172 / FA RK 24/3736 (‘de hoofdzaak’). De hoofdzaak betreft een familierechtelijke procedure tussen verzoeker als verzoekende partij en [naam] (‘[naam]’) als verwerende partij. Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de e-mail van 4 november 2024 van verzoeker, waarin hij mededeelt dat hij de rechter wraakt;
de e-mail van 6 november 2024 van verzoeker, waarin hij zijn wrakingsgronden vermeldt;
de e-mail van de rechter aan de algemeen secretaris van de wrakingskamer van 6 november 2024;
de e-mails in de periode van 7 november 2024 tot en met 21 november 2024 tussen de algemeen secretaris van de wrakingskamer en verzoeker.
2De ontvankelijkheid van het verzoek
2.1.
In de wrakingsprocedure gelden dezelfde regels over (verplichte) procesvertegenwoordiging als in de (bodem)procedure waarin het wrakingsverzoek is gedaan. Verplichte procesvertegenwoordiging houdt onder andere in dat een partij zelf geen proceshandelingen kan verrichten, zoals het indienen van stukken of het doen van nieuwe, gewijzigde of aanvullende verzoeken, maar dat daarvoor de tussenkomst van een advocaat is vereist.
2.2.
In artikel 79, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat dat een partij in alle zaken – behalve zaken bij de kantonrechter, maar daarvan is in het geval van de hoofdzaak geen sprake – moet worden bijgestaan door een advocaat. Dat heet verplichte procesvertegenwoordiging. In de hoofdzaak (het verzoek van verzoeker om een omgangsregeling te wijzigen en zelfstandige verzoeken van [naam]) moet verzoeker dus verplicht worden bijgestaan door een advocaat. De wet maakt geen uitzondering op die verplichte procesvertegenwoordiging voor het doen van een wrakingsverzoek in de hoofdzaak. Dat volgt ook uit de uitspraken van de Hoge Raad met ECLI-nummers ECLI:NL:HR:1998:AD2977 en ECLI:NL:HR:2004:AO6270.
2.3.
Het wrakingsverzoek van verzoeker is in strijd met het voorgaande niet ingediend door een advocaat. In de hoofdzaak is verzoeker overeenkomstig het bepaalde in voornoemd artikel 79, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bijgestaan door een advocaat. Deze advocaat van verzoeker is overeenkomstig artikel 2, lid 2 van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank in een e-mail van 7 november 2024 in de gelegenheid gesteld om zich namens verzoeker in de wrakingsprocedure te stellen. De advocaat heeft gereageerd met de mededeling dat hij zich niet stelt in de wrakingsprocedure. Verzoeker is daarna de gelegenheid geboden om ervoor te zorgen dat uiterlijk op 22 november 2024 een advocaat zich namens hem stelt in de wrakingsprocedure.
2.4.
Verzoeker heeft de algemeen secretaris van de wrakingskamer in een e-mail van 8 november 2024 gevraagd waar in de wet staat dat alleen een advocaat mag wraken. De algemeen secretaris van de wrakingskamer heeft verzoeker daarop dezelfde uitleg gegeven als hiervoor in overweging 2.2. staat vermeld. Verzoeker heeft zich vervolgens in zijn e-mail van 19 november 2024 primair nogmaals op het standpunt gesteld dat hij in de wrakingsprocedure niet hoeft te worden bijgestaan door een advocaat en subsidiair dat de in de cc van die e-mail meegenomen advocaat (mr. P. van de Kerkhof) zich stelt in de wrakingsprocedure. De algemeen secretaris van de wrakingskamer heeft mr. P. van de Kerkhof hierna verzocht om te bevestigen dat hij zich namens verzoeker stelt in de wrakingsprocedure. Die bevestiging is op dit moment nog steeds niet ontvangen. Verzoeker heeft in een e-mail van 21 november 2024 nog wel verzocht om over de verplichte procesvertegenwoordiging in een wrakingsprocedure een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te stellen.
2.5.
De wrakingskamer constateert dat zich tot op heden geen advocaat namens verzoeker heeft gesteld in deze wrakingsprocedure, terwijl verzoeker er herhaaldelijk op is gewezen dat hij moet worden bijgestaan door een advocaat en verzoeker ook herhaaldelijk is herinnerd aan de termijn voor het stellen van een advocaat. De wrakingskamer volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat hij in deze wrakingsprocedure niet hoeft te worden bijgestaan door een advocaat. De verplichting schriftelijke proceshandelingen via een advocaat te verrichten vervalt niet door de omstandigheid dat verzoeker zijn verzoeken in de hoofdzaak inmiddels heeft ingetrokken en de hoofdzaak in het vervolg alleen nog betrekking heeft op de zelfstandige verzoeken van [naam] (zie wat hiervoor in overweging 2.2. staat vermeld). Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de wrakingskamer geen aanleiding, omdat de wet en de rechtspraak op dit punt duidelijk zijn. Verzoekers stelling dat hij in twee eerdere wrakingsprocedures eveneens zonder bijstand van een advocaat een rechter heeft gewraakt, wat daar verder nog van zij, doet hier niet aan af.
2.6.
Gelet op al het voorgaande is verzoeker niet-ontvankelijk in het door hem ingediende wrakingsverzoek. De wrakingskamer komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek. Gelet daarop kan een mondelinge behandeling van dat verzoek achterwege blijven.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.C. Franken, voorzitter, mr. G.A. Bouter-Rijksen en mr. A. Verweij, rechters, in aanwezigheid van mr. R.W.H. van Rijkom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 december 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.