Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-18
ECLI:NL:RBROT:2024:12055
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,551 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling na faillissement
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 18 november 2024
[verzoeker]
,
wonende te [adres 1]
[woonplaats],
verzoeker,
curator: mr. I.M. Harmsen.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 2 augustus 2024 een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn op 7 juni 2022 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 november 2024. Op de zitting zijn verschenen:
[verzoeker], verzoeker;
[naam], partner verzoeker;
mevrouw mr. I.M. Harmsen, curator;
mevrouw D. van der Waal, collega van de curator;
mevrouw I.S.K. van Daele, schuldhulpverlener bij de Kredietbank Rotterdam.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Standpunten
Standpunt curator
De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker zich voldoende heeft ingespannen tijdens het faillissement en alle noodzakelijke medewerking, zowel gevraagd als ongevraagd, heeft verleend. Er is voldoende vertrouwen dat verzoeker de verplichtingen die voortvloeien uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen. Ten slotte merkt de curator op dat er geen sprake is van te kwader trouw bij het ontstaan van de schulden. Gezien het voorstaande adviseert de curator positief ten aanzien van de omzetting.
Standpunt verzoeker
Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de brief van de griffier, waarin wordt gewezen op de mogelijkheid tot het doen van een WSNP verzoek, nooit heeft ontvangen. Verzoeker is hier tijdens de behandeling van de faillissementsaanvraag wel op gewezen en heeft de Kredietbank Rotterdam verzocht samen met hem een WSNP verzoek in te dienen. De Kredietbank Rotterdam heeft, ondanks een opgesteld plan van aanpak en een voorgenomen aanmelding bij Zuidweg & Partners, geen verdere actie ondernemen. Verzoeker is op 7 juni 2022 in staat van faillissement verklaard.
Op 8 mei 2024 heeft schuldenaar een aanvraag tot schuldhulpverlening gedaan bij de Kredietbank Rotterdam. Op 1 juli 2024 is de schudhulpverlening toegekend. Schuldenaar heeft verklaard dat zijn schulden zijn ontstaan, doordat hij arbeidsongeschikt raakte in 2017.
Beoordeling
Ontvankelijkheid verzoek
Alvorens tot inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift over te gaan, dient de vraag te worden beantwoord of verzoeker een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) toekomt. De voorwaarde die de wet in artikel 15b, eerste lid, Fw stelt, is dat, wanneer een verzoeker niet op eigen aangifte maar op rekest failliet is verklaard, wordt vastgesteld dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.
De rechtbank stelt vast dat het faillissement niet op eigen aangifte van verzoeker is uitgesproken. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de brief van de griffier, waarin wordt gewezen op de mogelijkheid tot het doen van een WSNP verzoek, nooit heeft ontvangen. Verzoeker is hier tijdens de behandeling van de faillissementsaanvraag wel op gewezen en heeft de Kredietbank Rotterdam verzocht samen met hem een WSNP verzoek in te dienen. De Kredietbank Rotterdam heeft, ondanks een opgesteld plan van aanpak en een voorgenomen aanmelding bij Zuidweg & Partners, geen verdere actie ondernomen. Door een misverstand is verzoeker bovendien niet verschenen op de (opvolgende) zitting waar de faillissementsaanvraag behandeld werd. Het faillissement is vervolgens uitgesproken. De rechtbank oordeelt dat – mede gelet op zijn persoonlijke omstandigheden en het gebrek aan ondersteuning vanuit schuldhulpverlening – het niet aan verzoeker is toe te rekenen, dat destijds geen WSNP verzoek is ingediend. Hiermee is voldaan aan het vereiste van artikel 15b, eerste lid, Fw.
De curator heeft vastgesteld dat een akkoord binnen het faillissement niet tot de mogelijkheden behoort.
Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Toelating tot de WSNP
De rechtbank oordeelt dat er geen, althans onvoldoende, grond is gebleken voor afwijzing van het verzoek tot opheffing van het op 7 juni 2022 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De curator adviseert positief ten aanzien van het omzettingsverzoek. Verzoeker heeft tijdens het faillissement gevraagd en ongevraagd alle medewerking verleend. Ook is voor de rechtbank voldoende duidelijk geworden dat verzoeker arbeidsongeschikt is en dat hij gedurende het faillissement niet heeft kunnen werken. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoeker in staat moet worden geacht om de verplichtingen, voortvloeiend uit de schuldsaneringsregeling, voldoende na te kunnen komen.
Goede trouw
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als
voldoende aannemelijk is dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan of onbetaald
laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het
verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Voorts dient voldoende aannemelijk
te zijn dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren
zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoeker dient te voldoen. Bij de
Beoordeling
en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate
waarin het verzoeker kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of
onbetaald gelaten, het gedrag van verzoeker voor wat betreft zijn inspanningen de
schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren
en dergelijke.
Gebleken is dat verzoeker een aantal schulden aan de Belastingdienst heeft die zijn ontstaan
binnen de driejaarstermijn. De schulden hebben met name betrekking
op de onderneming van verzoeker. In totaal betreft de schuld aan de Belastingdienst een
bedrag van € 718.977,-. Het betreft veelal ambtshalve aanslagen. Verzoeker heeft
aangegeven dat hij erop vertrouwde dat zijn boekhouder een en ander goed oppakte en
doorgaf aan de Belastingdienst. Dit doet er niet aan af dat het primair de
verantwoordelijkheid blijft van verzoeker om ervoor te zorgen dat de administratie van de
eenmanszaak op orde is, en dat de juiste aangiftes worden gedaan. Dat dit gedurende een
periode van meerdere jaren niet correct is gebeurd, is verzoeker toe te rekenen. De schulden
aan de Belastingdienst die na november 2021 zijn ontstaan, staan daarom in beginsel aan
toelating tot de schuldsaneringsregeling in de weg. De rechtbank ziet echter een
verzachtende omstandigheid in het feit dat verzoeker gedurende een langere periode ernstige
medische klachten heeft ondervonden en ingrepen heeft moeten ondergaan. Bovendien is de
situatie inmiddels al gedurende langere tijd onder controle. Verzoeker heeft geen
onderneming meer en heeft ook opdracht gegeven om alsnog een correcte opgaaf te doen bij
de Belastingdienst. De aanslagen zullen naar aanleiding daarvan mogelijk nog worden
bijgesteld.
De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen met toepassing van de hardheidsclausule en zal het salaris van de curator en de verschotten vaststellen.
Salaris curator
De rechtbank neemt kennis van het laatste salarisverzoek van de curator. Het salaris van de curator bedraagt € 10.162,01 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting).
Dictum
De rechtbank:
- heft het faillissement van verzoeker op;
- stelt het salaris van de curator definitief vast op € 10.162,01 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van schuldenaar;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker]
,geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],wonende te [adres 1], [woonplaats],handelend onder de naam [handelsnaam],gevestigd [adres 2];
- stelt de termijn van de regeling vast op 18 maanden, te rekenen vanaf 18 november 2024, waardoor deze termijn eindigt op 18 mei 2026;
- benoemt in de schuldsaneringsregeling van schuldenaar tot rechter-commissaris mr. B.A. Cnossen;
- en stelt aan tot bewindvoerder N.T. van den Deijssel;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 november 2024.