Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-27
ECLI:NL:RBROT:2024:11979
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,853 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10881923 CV EXPL 24-1350
datum uitspraak: 27 september 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
ENGIE Energie Nederland N.V.,
vestigingsplaats: Zwolle,
eiseres,
gemachtigde: K.W.A. van der Meer,
tegen
[gedaagde]
, die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Engie’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 21 december 2023, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte van Engie van 21 augustus 2024, met bijlagen;
de brief van Engie van 22 augustus 2024, met bijlagen.
1.2.
Op 2 september 2024 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de gemachtigde van Engie aanwezig. [gedaagde] is, hoewel hij daartoe naar behoren is opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet op de zitting verschenen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Engie is een energieleverancier. Engie heeft op grond van een overeenkomst tussen partijen elektriciteit aan [gedaagde] geleverd op het adres [adres]
. [gedaagde] was voor de aan hem geleverde elektriciteit door Engie een vergoeding verschuldigd. [gedaagde] heeft een aantal facturen van Engie onbetaald gelaten, ondanks dat hij tot betaling daarvan is aangemaand. Engie is deze procedure gestart om alsnog betaling van [gedaagde] te verkrijgen. Engie eiste in eerste instantie bij dagvaarding een hoofdsom van € 3.665,50 van [gedaagde]. [gedaagde] heeft in reactie op de dagvaarding gesteld dat de meterstanden op basis waarvan Engie de facturen heeft opgemaakt niet kloppen. Daarnaast eist [gedaagde] dat Engie wordt veroordeeld in de kosten die hij heeft gemaakt voor deze procedure. Engie heeft vervolgens haar eis verminderd en eist nu € 2.386,34 aan hoofdsom. Ook eist zij een vergoeding van buitengerechtelijke kosten en rente. [gedaagde] heeft niet gereageerd op de verminderde eis.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 2.386,34 betalen.
2.2.
De kantonrechter vindt de facturen die Engie heeft overgelegd ter onderbouwing van haar (verminderde) eis duidelijk. Eén van die facturen is een eindafrekening, twee van de facturen betreffen correctiefacturen en de overige facturen betreffen voorschotnota’s. Voor zover er in de facturen meterstanden zijn opgenomen, heeft de kantonrechter geen onregelmatigheden geconstateerd of standen die vragen oproepen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn verweer dat Engie is uitgegaan van onjuiste meterstanden een aantal foto’s overgelegd. De kantonrechter heeft echter geconstateerd dat een deel van die foto’s niet de elektriciteitsmeter betreft, maar een gasmeter en een watermeter én dat een deel van de foto’s volgens [gedaagde] zelf niet het adres [adres]betreft, waar het in deze zaak om gaat. [gedaagde] heeft de kans onbenut gelaten om zijn verweer, voor zover hij dat na de eisvermindering wilde handhaven, nader te onderbouwen, door niet op de zitting te verschijnen. Daarom wordt zijn verweer als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Doordat hij bovendien helemaal niet heeft gereageerd op de eisvermindering, wordt uitgegaan van de juistheid van het bedrag aan hoofdsom dat nu wordt geëist. Het bedrag van € 2.386,34 wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 357,95 betalen.
2.3.
Engie heeft aan [gedaagde] meerdere aanmaningen gestuurd.
Uit de correctiefacturen en de eisvermindering leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] achteraf gezien niet meer verschuldigd is geweest dan het toe te wijzen bedrag aan hoofdsom. De kantonrechter ziet daarin aanleiding het toe te wijzen bedrag aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten te koppelen aan het bedrag dat nu aan hoofdsom wordt toegewezen. De kantonrechter zoekt daarbij aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter komt daarmee uit op een bedrag van
€ 357,95 dat aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.
[gedaagde] moet rente betalen.
2.4.
[gedaagde] moet aan Engie wettelijke handelsrente betalen, omdat hij door hem aan Engie verschuldigde bedragen niet op tijd heeft betaald. Gelet op de eisvermindering in verband met de correctiefacturen, vindt de kantonrechter onduidelijk vanaf welke datum of data over welk bedrag [gedaagde] precies wettelijke handelsrente aan Engie verschuldigd is geworden. De kantonrechter ziet hierin aanleiding de wettelijke handelsrente toe te wijzen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de datum van dit vonnis.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen.
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Engie moet betalen op € 106,73 aan dagvaardingskosten, € 496,00 aan griffierecht, € 476,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 238,00) en € 119,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.197,73. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. In de dagvaardingskosten zitten geen informatiekosten. In de dagvaarding staat namelijk niet alle informatie die verplicht is om hiervoor een vergoeding te krijgen (artikel 9 Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders).
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
2.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Engie dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Engie te betalen € 2.744,29 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 2.386,34 vanaf de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Engie worden begroot op € 1.197,73 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
757