Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-29
ECLI:NL:RBROT:2024:11934
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
953 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10592596 CV EXPL 23-18943
datum uitspraak: 29 november 2024
Vonnis in het incident van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf A]
,
vestigingsplaats: Den Haag,
eiseres in het incident, eiseres in conventie en verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. R.B. van Heijningen,
tegen
[persoon B]
, die handelt onder de naam [horecagelegenheid B] ,
woonplaats: onbekend,
verweerder in het incident, gedaagde in conventie en eiser in reconventie in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. M. Taheri.
De partijen worden hierna ‘ [bedrijf A] ’ en ‘ [persoon B] ’ genoemd.
Procesverloop
In de hoofdzaak tussen partijen, die op dit moment loopt, moet een deskundigenonderzoek worden verricht.
[bedrijf A] heeft bij akte gevorderd om bij wijze van voorlopige voorziening hangende de hoofdzaak [persoon B] te veroordelen tot betaling van de huurachterstand, dan wel tot betaling van een voorschot, waarvan de hoogte door de kantonrechter bepaald wordt.
[persoon B] heeft op zijn beurt geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van [bedrijf A] in deze vordering, dan wel afwijzing daarvan.
Op 21 november 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren de gemachtigde van [bedrijf A] en [persoon B] en zijn gemachtigde aanwezig. Tijdens deze zitting is de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening met partijen besproken.
Beoordeling
De kantonrechter wijst de vordering in het incident af
2.1.
De kantonrechter wijst de vordering van [bedrijf A] af bij gebrek aan (spoedeisend) belang. De kantonrechter licht dit oordeel als volgt toe.
De eis om een voorlopige voorziening te treffen kan worden toegewezen als van de partij die de voorziening vraagt niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht. [bedrijf A] heeft als reden voor de eis tot het treffen van een voorlopige voorziening gegeven het oplopen van de hoofdsom in combinatie met het trage verloop van de procedure. Hiermee heeft hij geen specifiek (spoedeisend) belang gesteld bij de voorlopige voorziening. Een (spoedeisend) belang kan niet uit de hoogte van de hoofdsom worden afgeleid, temeer nu [persoon B] maandelijks de helft van de huur betaalt. Niet gesteld of gebleken is dat [bedrijf A] dringend betaling nodig heeft. Voor zover [bedrijf A] heeft bedoeld te stellen dat [persoon B] op enig moment niet meer zal kunnen betalen, blijkt dit nergens uit en heeft [bedrijf A] dit niet onderbouwd. De kantonrechter ziet dan ook niet in waarom van [bedrijf A] niet gevergd zou kunnen worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwacht.
[bedrijf A] moet de proceskosten in het incident betalen
2.2.
De proceskosten in het incident komen voor rekening van [bedrijf A] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter ziet aanleiding de kosten die [bedrijf A] aan [persoon B] moet betalen te begroten op € 542,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x
€ 271,00).
Dictum
in het incident
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering van [bedrijf A] af;
3.2.
veroordeelt [bedrijf A] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon B] worden begroot op € 542,00.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
757