Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-29
ECLI:NL:RBROT:2024:11876
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Vereenvoudigde behandeling
971 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/2668
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen
[Naam], uit [Plaats], eiser
en
Deken orde van advocaten Amsterdam (de deken).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de deken van 23 februari 2024 waarbij is beslist op het herhaalde verzoek van [eiser] om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid.
2. Door de deken is ingestemd met het verzoek om rechtstreeks beroep.
3. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling
4. De rechtbank stelt vast dat de griffier ten onrechte geen griffierecht heeft geheven. De rechtbank zal [eiser] niet alsnog de gelegenheid bieden het verschuldigde griffierecht te voldoen, omdat het beroep hoe dan ook niet-ontvankelijk is wegens misbruik van recht. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij tot dit oordeel komt.
5. Eerder is veelvuldig vastgesteld dat [eiser] misbruik maakt van recht (bijv. ECLI:NL:RBROT:2021:9014 en ECLI:NL:RBROT:2023:7311). Daarom mag de misbruikintentie van [eiser] worden verondersteld, tenzij aanknopingspunten zijn voor het tegendeel. Dergelijke aanknopingspunten doen zich hier niet voor. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.
6. Het bestreden besluit betreft een beslissing op een herhaald verzoek om openbaarmaking op grond de Wet open overheid. De rechtbank stelt vast dat [eiser] ook in deze zaak geen leesbare gronden van beroep heeft ingediend. Wel heeft [eiser] ongevraagd grote hoeveelheden stukken ingediend. Bij globale bestuderingen van die stukken, blijkt het te gaan om stukken die zien op uitkeringsbesluiten van ongeveer 25 jaar geleden waarover de rechtbank [eiser] eerder heeft bericht dat die onherroepelijk zijn afgedaan. Voorts heeft de rechtbank [eiser] daarover bericht dat geen herzieningsverzoeken meer in behandeling worden genomen, nu al veelvuldig uitspraak daarover is gedaan (zie daarover bijv. ECLI:NL:RBROT:2020:3876; ECLI:NL:RBROT:2021:9003 en ECLI:NL:RBROT:2023:7311).
7. De grote hoeveelheden niet ter zake doende stukken die [eiser] in deze procedure heeft overgelegd, illustreren dat [eiser] deze procedure te kwader trouw voert (zie nogmaals ECLI:NL:RBROT:2023:7311).
8. Verder stuit de herhaalde stelling van [eiser] dat een andere rechtbank bevoegd is af op artikel 8:7, tweede lid, van de Awb.
Conclusie
9. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2024.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.