Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-28
ECLI:NL:RBROT:2024:11807
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,054 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/679957 / HA ZA 24-463
Vonnis in incident van 28 augustus 2024
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te Amsterdam,
eiser,
advocaat mr. M.W. Kox te Amsterdam,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde 1]
,
gevestigd te Zoeterwoude,
2. [gedaagde 2],
wonende te Hazerswoude-Rijndijk,
3. [gedaagde 3],
wonende te Hazerswoude-Rijndijk,
4. [gedaagde 4],
wonende te Zoeterwoude,
gedaagden,
advocaat mr. T. Teke te Amsterdam.
Eiser wordt hierna [eiser] genoemd. Gedaagden worden respectievelijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] genoemd. Wanneer gedaagden samen bedoeld zijn worden ze [gedaagden] genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 mei 2024, met producties 1 tot en met 45;
de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van [gedaagden], met producties 1 en 2;
de conclusie van antwoord in het incident tot onbevoegdheid.
2De vorderingen in de hoofdzaak
2.1.
[eiser] vordert - kort weergegeven - [gedaagden] te veroordelen tot betaling van € 49.037,35, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Hieraan heeft [eiser], eveneens verkort weergegeven, ten grondslag gelegd dat [gedaagden] de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst tot levering en plaatsing van een glazen schuifpui in de woning van [eiser] niet deugdelijk is nagekomen en dat [eiser] daardoor schade heeft geleden.
2.2.
[gedaagden] heeft nog geen verweer gevoerd in de hoofdzaak.
3De vordering in het incident
3.1.
[gedaagden] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard, met veroordeling van [eiser] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de kosten van het incident.
3.2.
[eiser] voert verweer. [eiser] concludeert tot afwijzing van de vordering van [gedaagden], met veroordeling van [gedaagden] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis in de proceskosten.
Beoordeling
4.1.
Volgens [gedaagden] moet de onderhavige zaak worden verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. [gedaagden] voert aan dat de tussen partijen gesloten overeenkomst waarop [eiser] zijn vordert baseert, kwalificeert als een koop- en aannemingsovereenkomst. Op deze overeenkomst zijn volgens [gedaagden] zowel de regels over aanneming als de regels over consumentenkoop van toepassing. Op grond van artikel 7:5 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) hebben in geval van strijd tussen die regels, de regels van consumentenkoop voorrang. Vorderingen betreffende consumentenkoop worden op grond van artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door de kamer voor kantonzaken behandeld en beslist. Dat betekent volgens [gedaagden] dat de civiele kamer niet bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
4.2.
[eiser] meent dat geen sprake is van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 lid 4 BW, zodat artikel 93 aanhef onder c Rv dat de kantonrechter aanwijst als rechter die de zaak moet behandelen en beslissen hier volgens hem toepassing mist.
4.3.
De rechtbank overweegt als volgt.
Titel 1 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek bevat de regeling voor de consumentenkoop. In artikel 7:5 BW is bepaald wat consumentenkoop is. Dat is - kort gezegd - de koopovereenkomst met betrekking tot een roerende zaak tussen een beroeps- of bedrijfsmatig handelend verkoper en een consument-koper. Als consumentenkoop wordt op grond van artikel 7:5 lid 4 BW óók aangemerkt de overeenkomst met betrekking tot een nog tot stand te brengen roerende zaak, die voldoet aan de omschrijving van artikel 7:750 BW (de aannemingsovereenkomst), als de aannemer handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en de opdrachtgever consument is. Ook op een overeenkomst die aan de omschrijving in artikel 7:5 lid 4 BW voldoet is dus de regeling van de consumentenkoop van toepassing. Uit de Parlementaire Geschiedenis van artikel 7:5 lid 4 BW vloeit voort dat een overeenkomst betreffende een te leveren zaak soms als een koopovereenkomst, als aanneming van werk, of als een gemengde overeenkomst wordt beschouwd. Als voorbeelden van dit laatste zijn genoemd vervaardiging en levering van een kunstgebit of een maatpak (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27 809, nr. 3, p. 13).
4.4.
De typering van de overeenkomst in een concreet geval hangt af van de omstandigheden van het geval. Hier hebben partijen een overeenkomst gesloten op grond waarvan, zo staat niet ter discussie, [gedaagden] (een) op maat gemaakt(e) schuifpuien, kozijnen en daklicht inclusief beglazing zou leveren en monteren aan de woning van [eiser]. Deze overeenkomst voldoet aan de omschrijving van een aannemingsovereenkomst, namelijk het tot stand brengen en opleveren van een werk van stoffelijke aard tegen betaling (7:750 BW). Vast staat dat [gedaagden] bij die werkzaamheden materialen heeft gebruikt, waarvoor [eiser] heeft betaald. Het gaat daarbij om de hiervoor genoemde, op maat gemaakte zaken. Dat enkele feit is echter onvoldoende om de overeenkomst (mede) te kwalificeren als consumentenkoop op grond van artikel 7:5 lid 4 BW. Uit de richtlijn waarop de regeling van de consumentenkoop gebaseerd is (richtlijn 99/44/EG) volgt dat het voor de consument individueel of op maat te maken goed daarin centraal staat. In artikel 1 lid 4 van die richtlijn is dat verwoord als “te vervaardigen of voort te brengen consumptiegoederen”. Daarvan is hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De hier aan de orde zijnde, te vervaardigen zaken dienden te worden vervaardigd om te worden gemonteerd aan een onroerende zaak waarvan zij blijvend deel gingen uitmaken, namelijk de woning van [eiser]. Deze zaken zijn niet te vergelijken met “consumptiegoederen” zoals het in de Parlementaire Geschiedenis genoemde maatpak of kunstgebit.
Van een mede als consumentenkoop te kwalificeren overeenkomst is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
4.5.
Nu de overeenkomst tussen partijen niet is aan te merken als consumentenkoop, is geen sprake van een vordering die op grond van artikel 93 onder c Rv tot de specifieke competentie van de kamer voor kantonzaken behoort. De zaak dient dus verder te worden behandeld en beslist door - in de bewoordingen van artikel 71 lid 2 Rv - een kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Dat is in dit geval team handel en haven, waar de zaak al in behandeling is.
4.6.
De vordering in het incident wordt dus afgewezen. [gedaagden] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op € 614,- aan salaris voor de advocaat van [eiser]. De proceskostenveroordeling zal, zoals door [eiser] gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Dictum
De rechtbank,
in het incident:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 614,-;
6.3.
verklaart 6.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak:
6.4.
verwijst de procedure naar de rol van 25 september 2024 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden]
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2024.
[1861/1729]