Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-20
ECLI:NL:RBROT:2024:11431
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,430 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer 1] en [nummer 2]
uitspraakdatum: 20 juni 2024
[verzoeker]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
[verzoekster]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 22 maart 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekers en hun schuldhulpverlener zijn gehoord ter terechtzitting van 13 juni 2024.
Feiten
Verzoeker ontvangt inkomsten uit WW-uitkering en arbeid. Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 128.146,61.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekers ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van hun schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw zijn geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
Goede trouw
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoeker dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoekers kunnen worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekers voor wat betreft hun inspanningen de schulden te voldoen of acties hunnerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoekers hebben een schuld aan ING Bank N.V. (hierna: ING) van in totaal € 10.094,54. Een groot deel van deze schuld is ontstaan na de aanmelding bij schuldhulpverlening. In de contacten met schuldhulpverlening heeft ING te kennen gegeven dat verzoekster misbruik heeft gemaakt van haar creditcard door op 20 november 2023 een bedrag op te nemen van € 8.430,- met deze creditcard. Verzoekers waren op dit moment al toegelaten tot de schuldhulpverlening. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij dit bedrag heeft vergokt. Verzoeker hoopte het bedrag door middel van gokken te verdubbelen om zo schuldeisers te betalen. Het is verzoeker te wijten dat hij, na de toelating tot de schuldhulpverlening, een bedrag van deze hoogte heeft opgenomen en dit vervolgens heeft gebruikt om mee te gokken. Bij het opnemen van zo’n hoog geldbedrag had verzoeker moeten weten dat hij niet in staat was om dit, gelet op hun (hoge) schuldenlast, terug te betalen als het mis zou gaan. Deze schuld is niet te goeder trouw ontstaan en staat aan toelating in de weg.
Daarnaast hebben verzoekers schulden bij het CJIB van in totaal € 22.253,42. Ter terechtzitting heeft verzoeker verklaard dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes, ontstaan in de periode van 2019 tot en met 2023. De boetes die zijn ontstaan in de periode van drie jaar voorafgaand aan indiening van het verzoekschrift, zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Verplichtingen
Daarnaast moet voldoende aannemelijk zijn dat verzoekers de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is. Verzoekster werkt gemiddeld 30 uur per week waardoor zij aanvullend dient te solliciteren. Ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe in de bijlage bij de oproepingsbrief voor de mondelinge behandeling van hun verzoek, heeft verzoekster tijdens het schuldhulpverleningstraject niet gesolliciteerd. Verzoekster heeft hierdoor geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding nu zij niet haar best heeft gedaan om een fulltime baan te vinden. Daarnaast is zij hiermee dus niet te goeder trouw ten aanzien van het onbetaald laten van de hierboven genoemde schulden van verzoekers. Verzoekster heeft zich namelijk niet maximaal ingespannen om zoveel mogelijk inkomsten te verdienen voor de schuldeisers. De verklaring van verzoeker dat verzoekster geen tijd heeft om fulltime te werken omdat zij voor de kinderen (van 17 en 19 jaar oud) zorgt en het huishoudelijk werk doet, doet hier niet aan af.
Feiten
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.