Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-06-20
ECLI:NL:RBROT:2024:11426
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,367 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 20 juni 2024
[verzoekster]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 13 maart 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter terechtzitting van13 juni 2024.
Feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 187.558,59.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als, onder andere, voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank oordeelt dat dit in het voorliggende geval niet aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan een verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties harerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Een deel van de schulden is ontstaan in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend. Verzoekster heeft gedetineerd gezeten van januari 2022 tot en met januari 2023, nu zij voorlopig gehecht was vanwege de verdenking van witwassen en mensenhandel, gepleegd gedurende de periode van (vermoedelijk) 2019 tot en met 2021. Wanneer deze strafzaak inhoudelijk wordt behandeld, is nog onduidelijk. Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij had geregeld dat iemand anders gedurende haar detentie haar vaste lasten zou betalen, omdat zij dit zelf niet kon doen. Dit is echter niet gebeurd waardoor er meerdere schulden zijn ontstaan. Deze schulden zijn niet te goeder trouw ontstaan en staan aan toelating in de weg.
Tevens heeft verzoekster een schuld aan de Belastingdienst van € 158.849,00. Blijkens een overzicht ziet deze schuld met name op niet afgedragen inkomensheffing (2018 tot en met 2020) en omzetbelasting (2020 tot en met maart 2022). Deze schuld komt voort uit de onderneming die verzoekster als eenmanszaak heeft gevoerd vanaf 1 november 2016 onder de naam [bedrijf A] en later onder de naam [bedrijf B] . De eenmanszaak is gestaakt en op 24 oktober 2023 uitgeschreven uit het handelsregister. Volgens verzoekster is deze schuld ontstaan omdat de boekhouder zijn taken ten tijde van het bestaan van de onderneming niet naar behoren heeft uitgevoerd. Er is geen afsluitende boekhouding beschikbaar vanaf het jaar 2019. Verzoekster verklaart dat zij hierdoor de belastingaangiften niet heeft ingediend en er ambtshalve aanslagen zijn opgelegd. Verzoekster heeft destijds, toen zij meende dat de boekhouder zijn taak niet naar behoren uitvoerde, niet gezocht naar een andere boekhouder. In beginsel zijn de ondernemingsschulden daarom niet te goeder trouw ontstaan en/of onbetaald gelaten (zie de landelijk uniforme beoordelingscriteria). Feiten of omstandigheden die meebrengen dat aannemelijk is dat de schulden ondanks het ontbreken van een boekhouding te goeder trouw zijn ontstaan of onbetaald gelaten, zijn door verzoekster niet aangevoerd en evenmin gebleken.
Daarnaast blijkt uit de stukken van het verzoekschrift dat de omvang van de schuldenlast onduidelijk is en dat er mogelijk nog veel meer schuldeisers zijn. Dit kan betekenen dat er meer schulden niet te goeder trouw zijn ontstaan dan wel onbetaald gelaten dan op dit moment bekend is.
Bovendien is het nog onbekend wat de uitkomst zal zijn van de strafzaak waarvoor verzoekster in voorlopige hechtenis heeft gezeten van januari 2022 tot en met januari 2023. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop gevreesd moet worden dat verzoekster de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren zal kunnen nakomen, meer in het bijzonder de inspanningsverplichting en de verplichting om geen nieuwe bovenmatige schulden te laten ontstaan.
Feiten
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van A.B.T. Fernandes Pedra, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.