Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-01-17
ECLI:NL:RBROT:2024:114
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,810 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/645910 / HA ZA 22-811
Vonnis van 17 januari 2024
in de zaak van
1
[persoon01] ,
2.
[persoon02]
,
beiden wonende te [woonplaats01] ,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat mr. M.D. Winter te 's-Gravenhage,
tegen
[persoon03]
,
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. D.A. Evertsz te Rotterdam.
Partijen worden hierna [persoon01] , [persoon02] en [persoon03] genoemd. [persoon01] en [persoon02] worden gezamenlijk [persoon01] c.s. genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 14 juni 2023 en de daarin genoemde processtukken;
de brief van mr. Evertsz van 27 juni 2023;
de brief van mr. Winter van 13 juli 2023;
de akte overlegging productie van [persoon03] , met productie 20;
de akte overlegging stukken van [persoon01] c.s., met producties 12 tot en met 15;
de brief van mr. Evertsz van 10 oktober 2023, met productie 21;
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 11 oktober 2023;
de conclusie na enquête van [persoon03] , met producties;
de conclusie na enquête van [persoon01] c.s.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2
De verdere beoordeling in conventie en reconventie
Inleiding
2.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, bespreekt de rechtbank de vorderingen (net als in het tussenvonnis) gezamenlijk.
2.2.
Na bewijslevering wachten de volgende vragen nog op een antwoord:
Is de overeengekomen rentevergoeding van € 10.000,00 geldig?
Heeft [persoon03] al een bedrag van € 10.000,00 aan [persoon01] terugbetaald?
Moet [persoon01] een bedrag van € 25.300,00 aan [persoon03] betalen?
Moet [persoon01] een bedrag van € 5.000,00 aan [persoon03] betalen?
Moet [persoon01] de buitengerechtelijke kosten van [persoon03] vergoeden?
Wie moet uiteindelijk welk bedrag aan wie betalen?
Moeten de conservatoire beslagen worden opgeheven?
Wie moet welke proceskosten betalen?
2.3.
De rechtbank zal deze vragen hieronder achtereenvolgens beantwoorden.
a. Is de overeengekomen rentevergoeding van € 10.000,00 geldig?
2.4.
De rechtbank oordeelt dat de overeengekomen rentevergoeding van € 10.000,00
niet
nietig of vernietigbaar – en dus geldig – is. Het beroep dat [persoon03] heeft gedaan op de goede zeden en openbare orde en misbruik van omstandigheden, slaagt namelijk niet. De rechtbank licht toe waarom niet.
Rentevergoeding niet in strijd met de goede zeden of openbare orde
2.5.
Volgens [persoon03] is de renteafspraak in strijd met de goede zeden of openbare orde en daarom nietig. Bij de beoordeling van dat verweer, geldt als uitgangspunt dat partijen vrij zijn om overeen te komen welke rentevergoeding de geldlener over het geleende bedrag verschuldigd is. Die vrijheid wordt echter begrensd door de goede zeden en openbare orde; de rentevergoeding mag daarmee niet in strijd zijn (artikel 3:40 lid 1 BW). De goede zeden en openbare orde verwijzen naar de in een bepaalde maatschappelijke constellatie als fundamenteel ervaren normen van ongeschreven aard.
2.6.
Afgezet tegen de leningssom (van € 40.000,00) is de rentevergoeding fors, zeker gelet op de looptijd van de lening (ruim twee maanden). Uit de stellingen en vordering van [persoon01] leidt de rechtbank echter af dat het een ‘eenmalige gefixeerde’ rentevergoeding betrof; vanaf 1 november 2021 hoeft [persoon03] niet langer de contractuele rente te betalen, maar de wettelijke rente (die op dit moment 6% bedraagt).
Een grove berekening wijst uit dat de rente over het eerste leningsjaar in totaal ongeveer € 12.000,00 bedroeg.
Dat correspondeert met een rentepercentage van 30% – en niet van 150%, zoals [persoon03] heeft betoogd. Bovendien: hoe langer het duurt voordat [persoon03] de lening terugbetaalt (inmiddels zijn ruim twee jaar verstreken), hoe lager het rentepercentage – relatief gezien – wordt. De rechtbank acht een eenmalige rentevergoeding van € 10.000,00 die wordt opgevolgd door de wettelijke rente in dit geval niet in strijd met de goede zeden of openbare orde.
2.7.
Daarbij weegt de rechtbank mee dat het aangaan van de geldlening voor [persoon01] niet zonder risico was. [persoon01] heeft immers onbetwist gesteld dat [persoon03] fanatiek gokte en dat hij niet goed met zijn geld kan omgaan. Dat laatste heeft [persoon03] zelfs bevestigd. In dit verband heeft [persoon01] erop gewezen dat [persoon03] begin 2021 een bedrag van € 637.500,00 aan schadevergoeding van Defensie had ontvangen, maar dat hij in augustus 2021 (ruim een halfjaar later) nog € 40.000,00 van [persoon01] geld moest lenen voor de aanschaf van een woning. Over het algemeen geldt dat hoe hoger de risico’s zijn die aan een geldlening kleven, hoe hoger de overeengekomen rente is.
[persoon01] heeft geen misbruik van omstandigheden gemaakt
2.8.
[persoon03] heeft de geldleningsovereenkomst vernietigd wegens misbruik van omstandigheden.
Die vernietigingshandeling heeft echter geen effect gesorteerd. Op grond van artikel 3:44 lid 1 BW is een rechtshandeling vernietigbaar als zij door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Misbruik van omstandigheden is aanwezig als iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, terwijl hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden. Als bijzondere omstandigheden kunnen onder meer worden aangemerkt: noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid (artikel 3:44 lid 4 BW).
2.9.
Dat [persoon01] en [persoon03] jeugdvrienden waren en dat [persoon03] PTSS heeft en niet goed met zijn geld kan omgaan, maakt niet dat [persoon01] misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door een rentevergoeding van € 10.000,00 overeen te komen. Dat [persoon03] niet goed met zijn geld kon omgaan vormt in dit geval juist een rechtvaardiging voor de hoogte van de rentevergoeding (zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen) in plaats van dat het [persoon01] ervan had moeten weerhouden de renteafspraak te maken. Bij dit oordeel weegt uiteraard ook mee dat de rentevergoeding slechts een ‘eenmalige gefixeerde’ rentevergoeding betrof en dat [persoon03] na afloop van de lening niet langer de contractuele rente verschuldigd is, zoals de rechtbank hiervoor eveneens heeft overwogen. Bovendien heeft [persoon01] met de lening [persoon03] behoed voor een probleem met de koop van de woning.
b. Heeft [persoon03] al een bedrag van € 10.000,00 aan [persoon01] terugbetaald?
2.10.
De rechtbank heeft [persoon03] in het tussenvonnis (r.o. 4.14) opgedragen te bewijzen dat hij € 10.000,00 aan [persoon01] heeft terugbetaald. [persoon03] heeft op dit punt geen bewijs geleverd. Dat betekent dat het bewijsrisico zich verwezenlijkt en dus dat
niet
is komen vast te staan dat [persoon03] € 10.000,00 aan [persoon01] heeft terugbetaald.
c. Moet [persoon01] een bedrag van € 25.300,00 aan [persoon03] betalen?
2.11.
[persoon03] vordert betaling van [persoon01] van een bedrag van € 25.300,00. Tussen partijen staat vast dat [persoon03] op 26 januari 2021 een bedrag van € 25.300,00 heeft overgemaakt naar de bankrekening van [persoon01] . In het tussenvonnis heeft de rechtbank [persoon03] opgedragen te bewijzen:
dat [persoon01] zich heeft verplicht dit bedrag aan [persoon03] terug te betalen (r.o. 4.3); althans
dat aan de betaling een rechtsgrond ontbrak (r.o. 4.4).
2.12.
Ten aanzien van de eerste bewijsopdracht heeft [persoon03] geen bewijs geleverd.
Dat betekent dat het bewijsrisico zich verwezenlijkt en dat
niet
is komen vast te staan dat [persoon01] zich heeft verplicht het bedrag van € 25.300,00 aan [persoon03] terug te betalen.
2.13.
Ten aanzien van de tweede bewijsopdracht is [persoon03] naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn bewijs geslaagd. [persoon03] heeft in zijn akte overlegging productie slechts verwezen naar de volgende verklaring van de bewindvoerder (productie 20 aan de zijde van [persoon03] ):
“In de hoedanigheid als bewindvoerder heb ik in de periode 1 januari 2020 tot en met 1 januari 2021 geen overeenkomst voor een geldlening afgesloten met meneer [persoon01] .”
Dictum
De rechtbank
in conventie
3.1.
veroordeelt [persoon03] om aan [persoon01] te betalen een bedrag van € 52.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 40.000,00 met ingang van 1 november 2021 en over een bedrag van € 2.000,00 met ingang van 30 september 2022, tot de dag van volledige betaling:
3.2.
veroordeelt [persoon03] in de beslagkosten van [persoon01] van € 2.172,34, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
3.3.
veroordeelt [persoon03] in de proceskosten van [persoon01] van € 3.749,03, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [persoon03] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet [persoon03] € 90,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.4.
veroordeelt [persoon03] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de beslag- en proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.5.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
veroordeelt [persoon02] in de proceskosten van [persoon03] , die aan de kant van [persoon03] worden vastgesteld op nihil;
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
3.8.
wijst de vorderingen af;
3.9.
veroordeelt [persoon03] in de proceskosten van [persoon01] van € 957,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;
3.10.
veroordeelt [persoon03] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. G.B. Plomp en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2024.
3655/1876
De productie is genummerd als productie 15. Ter zitting van 11 oktober 2023 heeft mr. Evertsz echter aangegeven dat het productie 20 moet zijn.
Zie r.o. 4.13 van het tussenvonnis.
€ 10.000,00 over de eerste twee maanden en € 2.000,00 (6% op jaarbasis) over de overige tien maanden.
Par. 36 pleitnotitie mr. Evertsz.
De rechtbank leidt dat af uit de brief van mr. Evertsz van 27 juni 2023, waarin staat dat [persoon03] bewijs aanbiedt dat er geen rechtsgrond voor de betalingen aanwezig was. Dat ziet op de bewijsopdracht uit r.o. 4.4 van het tussenvonnis. Dat [persoon03] bewijs heeft willen aanbieden voor de bewijsopdracht uit r.o. 4.3 van het tussenvonnis, blijkt niet uit die brief en evenmin uit de latere processtukken van [persoon03] .
Met het beroep op verjaring heeft [persoon03] de gronden van zijn vordering aangevuld. Omdat deze aanvulling van gronden niet in strijd is met de goede procesorde, staat de rechtbank de aanvulling toe (artikel 130 lid 1 Rv).
Hiervoor geldt hetzelfde als de rechtbank in de vorige voetnoot heeft opgemerkt. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij niet beschikt over de beschikking waarbij het bewind over de goederen van [persoon03] is ingesteld.
Zie in dit verband de Nota naar aanleiding van het verslag,
Kamerstukken II
2011/12, 33054, nr. 6, p. 17.
Zie voetnoot 5.
€ 40.000,00 (r.o. 4.9 van het tussenvonnis) + € 10.000,00 (r.o. 2.4 van dit vonnis) + € 2.000,00 (r.o. 4.11 van het tussenvonnis).
Procesverloop
Die verklaring is op zichzelf onvoldoende om aan te kunnen nemen dat [persoon03] het bedrag van € 25.300,00 onverschuldigd aan [persoon01] heeft betaald. De verklaring laat namelijk onverlet de mogelijkheid dat [persoon01] buiten de bewindvoerder om aan [persoon03] geld heeft uitgeleend of bedragen heeft voorgeschoten, al dan niet voor 1 januari 2020. Daarbij komt dat [persoon03] het bedrag heeft overgemaakt met de omschrijving
“Bedankt voor het lenen”
wat een contra-indicatie is dat aan de betaling een rechtsgrond ontbrak. Weliswaar heeft [persoon03] betoogd dat hij die omschrijving om belastingtechnische redenen had gekozen, maar aan dat betoog kan de rechtbank weinig waarde hechten nu [persoon03] zichzelf niet heeft laten horen als getuige.
2.14.
Dat [persoon01] tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat hij het bedrag van € 25.300,00 eind 2020 per bankoverschrijving aan [persoon03] had uitgeleend en dat hij daar tijdens zijn getuigenverklaring op terug is gekomen, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank stelt voorop dat het aan [persoon03] is om te bewijzen dat aan de betaling een rechtsgrond ontbrak – en niet aan [persoon01] om te bewijzen dat aan de betaling
wel
een rechtsgrond ten grondslag lag. Het gaat niet op om [persoon01] te verwijten dat hij zijn verhaal (al dan niet bij nader inzien) heeft bijgesteld, terwijl [persoon03] zelf niet afdoende bewijs levert van de door hem te bewijzen stelling, te meer nu [persoon03] bij de betaling zelf de omschrijving
“Bedankt voor het lenen”
heeft gebruikt.
2.15.
De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande vanuit dat de betaling van € 25.300,00 door [persoon03] de terugbetaling is van eerder door [persoon01] aan [persoon03] geleend geld. Het beroep van [persoon03] op verjaring van die lening faalt.
Voor zover de vordering van [persoon01] op [persoon03] tot betaling van het bedrag van € 25.300,00 al was verjaard op 26 januari 2021 (de datum waarop [persoon03] het bedrag naar [persoon01] heeft overgemaakt), resteerde een natuurlijke verbintenis als bedoeld in artikel 6:3 BW. Aan de betaling van [persoon03] lag dus, ook als (een deel van) de vordering van [persoon01] zou zijn verjaard, nog steeds een rechtsgrond ten grondslag, zij het een niet-afdwingbare.
2.16.
Om dezelfde reden faalt het beroep dat [persoon03] heeft gedaan op artikel 1:440 BW.
Voor zover dat artikel van toepassing is, stond dat artikel eraan in de weg dat [persoon01] de schuld van [persoon03] vanwege het door [persoon01] aan hem geleende bedrag van € 25.300,00 op het vermogen van [persoon03] zou
verhalen
. Maar uit niets volgt dat artikel 1:440 BW eraan in de weg stond dat [persoon03] na het einde van het bewind (en dus nadat hij het beheer over zijn vermogen weer terugkregen had) het bedrag van € 25.300,00
vrijwillig
aan [persoon01] zou
betalen
. De terugbetalingsverbintenis was dus hooguit niet afdwingbaar, maar op zichzelf wel geldig.
Artikel 1:440 BW laat dus onverlet dat aan de betaling van [persoon03] aan [persoon01] van het bedrag van € 25.300,00 een rechtsgrond ten grondslag lag.
2.17.
De conclusie is dat de vordering van [persoon03] voor zover die ziet op het bedrag van € 25.300,00 voor afwijzing gereed.
d. Moet [persoon01] een bedrag van € 5.000,00 aan [persoon03] betalen?
2.18.
[persoon03] vordert verder betaling van [persoon01] van een bedrag van € 5.000,00. Tussen partijen staat vast dat [persoon03] op 22 april 2021 een bedrag van € 5.000,00 heeft overgemaakt naar de bankrekening van [persoon01] . In het tussenvonnis heeft de rechtbank [persoon03] opgedragen te bewijzen:
dat [persoon01] zich heeft verplicht dit bedrag aan [persoon03] terug te betalen (r.o. 4.3); althans
dat aan de betaling een rechtsgrond ontbrak (r.o. 4.4).
2.19.
Ten aanzien van de eerste bewijsopdracht heeft [persoon03] geen bewijs geleverd.
Dat betekent dat het bewijsrisico zich verwezenlijkt en dat
niet
is komen vast te staan dat [persoon01] zich heeft verplicht het bedrag van € 5.000,00 aan [persoon03] terug te betalen.
2.20.
Ten aanzien van de tweede bewijsopdracht heeft [persoon03] in zijn akte overlegging productie slechts verwezen naar de volgende verklaring van de bewindvoerder (productie 20 aan de zijde van [persoon03] ):
“In de hoedanigheid als bewindvoerder heb ik in de periode 1 januari 2020 tot en met 1 januari 2021 vanaf de beheerrekening geen geld overgemaakt aan meneer [persoon01] .”
Wat de relevantie van die verklaring is voor een betaling die op 22 april 2021 (en dus
na
de periode waar de bewindvoerder het over heeft) is verricht, is de rechtbank niet duidelijk. Omdat [persoon03] ter zake verder geen bewijs heeft geleverd, slaagt [persoon03] niet in de bewijslevering. Dat betekent dat het bewijsrisico zich verwezenlijkt en dat
niet
is komen vast te staan dat aan de betaling van [persoon03] aan [persoon01] van het bedrag van € 5.000,00 een rechtsgrond ontbrak. De vordering van [persoon03] voor zover die ziet op het bedrag van € 5.000,00 ligt dus voor afwijzing gereed.
2.21.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank nog op dat zij niet toekomt aan een bespreking van de getuigenverklaringen van [persoon01] en [persoon02] . Die verklaringen zouden pas relevant zijn geworden als [persoon03] zelf (begin van) bewijs had geleverd, maar dat is niet het geval. Voor zover [persoon03] heeft betoogd dat uit de getuigenverklaringen van [persoon01] en [persoon02] niet blijkt dat aan de betaling van € 5.000,00 een rechtsgrond ten grondslag lag, miskent hij dat het niet aan [persoon01] is om dat te bewijzen. [persoon03] moet zelf bewijzen dat er
geen
rechtsgrond aan de betaling ten grondslag lag en in dat bewijs is hij niet geslaagd. Hij heeft er geen relevante stukken over overgelegd en hij heeft er geen getuigenverklaring over afgelegd.
e. Moet [persoon01] de buitengerechtelijke incassokosten van [persoon03] vergoeden?
2.22.
Uit het voorgaande volgt dat de vordering van [persoon03] tot betaling van in totaal een bedrag van € 30.300,00 voor afwijzing gereedligt. Daarin is inherent dat ook de vordering van [persoon03] tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten voor afwijzing gereedligt.
f. Wie moet uiteindelijk welk bedrag aan wie betalen?
2.23.
[persoon03] heeft in conventie een beroep op verrekening gedaan. Uit het voorgaande volgt dat dat beroep faalt nu [persoon03] geen vordering op [persoon01] heeft om mee te verrekenen. Om dezelfde reden liggen de vorderingen van [persoon03] in reconventie voor afwijzing gereed.
2.24.
[persoon01] daarentegen heeft recht op een bedrag van € 52.000,00.
Over een bedrag van € 40.000,00 is [persoon03] de wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 november 2021 (r.o. 4.13 van het tussenvonnis). Ten aanzien van het bedrag van € 2.000,00 is niet gesteld of gebleken dat [persoon03] met de betaling daarvan vóór de datum van dagvaarding in verzuim is komen te verkeren. Over dat bedrag is [persoon03] daarom de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding, te weten 30 september 2022, verschuldigd.
g. Moeten de conservatoire beslagen worden opgeheven?
2.25.
Op grond van artikel 705 lid 2 Rv kan – voor zover nu relevant – de rechtbank een conservatoir gelegd beslag opheffen als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vordering van de beslaglegger of als van het onnodige van het beslag blijkt.
2.26.