Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-11-06
ECLI:NL:RBROT:2024:11267
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,175 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 6 november 2024
[verzoekster]
,
[adres]
[plaatsnaam],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 19 juli 2024 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Verzoekster is gehoord ter zitting van 22 oktober 2024.
Feiten
Verzoekster ontvangt inkomsten uit een WAJONG-uitkering. De schuldenlast bedraagt volgens de verklaring als bedoeld in artikel 285 Faillissementswet € 66.013,31.
Beoordeling
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt slechts toegewezen als voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest en dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank oordeelt dat het één noch het ander in het voorliggende geval aannemelijk is.
De goede trouw is een gedragsmaatstaf waaraan verzoekster dient te voldoen. Bij de beoordeling daarvan kan de rechter rekening houden met alle omstandigheden, zoals de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin het verzoekster kan worden verweten dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten, het gedrag van verzoekster voor wat betreft haar inspanningen de schulden te voldoen of acties harerzijds om verhaal door de schuldeisers juist te frustreren en dergelijke.
Verzoekster heeft schulden bij [schuldeiser 1] van in totaal € 3.887,87. Ter terechtzitting heeft verzoekster verklaard dat deze schulden betrekking hebben op verkeersboetes wegens foutief parkeren, parkeren op de stoep, te hard rijden en door rood ligt rijden, ontstaan in de jaren 2018 tot en met 2023. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan.
Ook heeft verzoekster een schuld van € 4.684,- aan [schuldeiser 2], ontstaan in 2023. Verzoekster heeft in deze periode wel gebruik gemaakt van de kinderopvang en hiervoor toeslag van [schuldeiser 4] ontvangen, maar deze niet aangewend om de vordering van het kinderdagverblijf te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten.
Verzoekster heeft een schuld laten ontstaan op 28 juni 2023 van € 200,08 bij [schuldeiser 3]. Dit betreft een schuld die is ontstaan uit tanken zonder te betalen. Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat iemand anders in haar auto heeft gereden. Nu de boete wel op naam van verzoekster staat is de rechtbank van oordeel dat deze schuld niet te goeder trouw is ontstaan althans onbetaald gelaten.
Verzoekster heeft een schuld aan [schuldeiser 4] uit de periode 2021 en 2023 van € 1.602,-. Volgens verzoekster heeft deze schuld betrekking op ten onrechte ontvangen kinderopvangtoeslag. Naar het oordeel van de rechtbank is het de verantwoordelijkheid van verzoekster om er voor zorg te dragen dat [schuldeiser 4] juist en volledig is geïnformeerd. Verzoekster heeft dit niet gedaan. Verzoekster heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat haar ten aanzien van het verstrekken van de juiste gegevens geen verwijt treft. Voorts valt het verzoekster te verwijten dat het bedrag waarop geen recht bestond na ontvangst niet is gereserveerd zodat dit terugbetaald had kunnen worden. Aldus is deze schuld niet te goeder trouw ontstaan althans onbetaald gelaten.
Feiten
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden afgewezen.
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat dit niet betekent dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn die eveneens tot afwijzing van het verzoek dienen te leiden.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 6 november 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.