Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-13
ECLI:NL:RBROT:2024:11223
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,888 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team straf 2
parketnummer : 10-048460-24
raadkamernummer : 24-008200
datum : 13 september 2024
Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het klaagschrift van:
[persoon A] ,
geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
voor deze zaak domicilie kiezende ten kantore van haar raadsman mr. P.M. Iwema,
Westersingel 50b, 3014 GV te Rotterdam,
hierna te noemen: klaagster, tevens beslagene.
Procedure
Op 22 maart 2024 is op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) een klaagschrift ingediend. Op 11 september 2024 is een aanvullend schijven van klaagster ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand haar standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 13 september 2024 het klaagschrift in de openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de klaagster, de advocaat mr. P.M. Iwema en de officier van justitie mr. W. van den Berg op zitting gehoord.
Feiten
Op 2 november 2023 is beslag gelegd op de bankrekening bij de SNS-bank, op naam van klaagster en haar minderjarige dochter (van wie klaagster de wettelijk vertegenwoordigster is), met nummer [rekeningnummer 1] , op grond van artikel 94 Sv (met daarop een bedrag van € 16.929,-).
Vervolgens is op 1 februari 2024 ook beslag gelegd op de bankrekeningen bij de Rabobank op naam van klaagster, met nummers [rekeningnummer 2] (met daarop een bedrag van
€ 3.099,70) en [rekeningnummer 3] (met daarop een bedrag van € 19.054,33), op grond van artikel 94 Sv.
Na machtiging van de rechter-commissaris van 22 februari 2024 is op deze bankrekeningen (ook) conservatoir beslag gelegd op grond van artikel 94a Sv, zoals betekend aan klaagster op respectievelijk 7 en 8 maart 2024.
Het vermoeden bestaat dat klaagster zich schuldig heeft gemaakt aan (medeplegen van) valsheid in geschrifte, witwassen en verzekeringsfraude. De officier van justitie heeft in raadkamer medegedeeld dat klaagster hiervoor gedagvaard zal worden. De zoon van klaagster is veroordeeld voor strafbare feiten die voor een deel gerelateerd zijn aan de verdenkingen tegen klaagster.
Standpunt klaagster
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag op de bankrekeningen.
Aangevoerd is dat de saldi op de rekeningen niet van criminele herkomst zijn, maar bestaan uit een uitkering door de Belastingdienst in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire en dus legaal want van de overheid, door klaagster en haar dochter zijn verkregen. Klaagster is eigenaar van de auto. Verder is aangevoerd dat klaagster voor de voortzetting van haar bedrijf toegang tot de saldi op haar bankrekeningen nodig heeft. Ook is aangevoerd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat klaagster zal worden veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of tot het betalen van een geldboete voor de hoogte van het beslagen bedrag of ook maar een deel daarvan. Het beslag is daarom niet proportioneel.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich verzet tegen opheffing van het beslag op de bankrekeningen en heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beklag. Het geld op de bankrekeningen is te relateren aan de strafbare feiten, waarbij klaagster en haar zoon betrokken zouden zijn. Zo heeft klaagster in oktober 2023 een bedrag van € 36.110,- overgemaakt gekregen door de verkoop van een auto aan een schadebedrijf, welke auto door klaagster eerder zou zijn betaald door inruil van een andere auto en met bijbetaling. De aanschafwaarde van die auto overtreft echter verre de gelden die aan klaagster ter beschikking hebben gestaan (inclusief de uitkering van de overheid). Dit geeft voeding aan het vermoeden dat zij katvanger voor de witwaspraktijken van haar zoon is geweest en de saldi op haar rekening van misdrijf afkomstig zijn. Ook zou klaagster zich daarmee schuldig hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte en verzekeringsfraude. Het is daarom niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel een schadevergoeding, zal opleggen. Het strafvorderlijk belang verzet zich dan ook tegen opheffing van dit beslag.
Beoordeling
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
Bij de beoordeling van een beklag gericht tegen een beslag op grond van artikel 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter eerst te onderzoeken of er ten tijde van zijn beslissing sprake is van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Daarvan is in het geval van klaagster sprake. Uit de zich in het raadkamerdossier bevindende processen-verbaal kan worden opgemaakt dat sprake is van een gerechtvaardigde verdenking dat klaagster katvanger voor de witwaspraktijken van haar zoon is geweest en de saldi op de bankrekeningen van misdrijf afkomstig zijn en dat zij zich mogelijk zelf schuldig zou hebben gemaakt aan valsheid in geschrifte en verzekeringsfraude. Voor deze misdrijven kan een geldboete van de vijfde vierde categorie worden opgelegd.
Als er sprake is van een dergelijke verdenking moet de rechtbank in raadkamer onderzoeken of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dan wel een verplichting tot betaling aan de staat van een geldbedrag ten behoeve van een slachtoffer zal opleggen. De rechtbank acht dit in het geval van klaagster niet hoogst onwaarschijnlijk.
De rechtbank is verder van oordeel dat het beslag voor een bedrag van bijna € 40.000,-, tegen de achtergrond van de verdenking van valsheid in geschrifte, witwassen en verzekeringsfraude van een hoog bedrag, namelijk van mogelijk bijna € 80.000,- niet buitenproportioneel is.
De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag.
Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.
Dictum
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is op 13 september 2024 gegeven door de raadkamer,
mr. J. de Lange, voorzitter,
en mr. P.C. Tuinenburg en mr. F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier.
De jongste rechter is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de beklager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beslissing.