Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-09-27
ECLI:NL:RBROT:2024:10445
Civiel recht
Kort geding
1,240 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11271261 VV EXPL 24-413
datum uitspraak: 27 september 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. E. Piepers-Westermeijer,
tegen
Van Rijn Bewind B.V., in hoedanigheid van bewindvoerder van [naam 1],
vestigingsplaats: ’s-Gravendeel,
gedaagde,
die niet is verschenen.
Partijen worden hierna Woonbron en Van Rijn Bewind genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 26 augustus 2024, met vier producties.
1.2.
Op 13 september 2024 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling met [naam 2], werkzaam bij Woonbron, en mr. Piepers-Westermeijer besproken. Van Rijn Bewind is niet verschenen.
Beoordeling
2.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen Van Rijn Bewind verstek wordt verleend.
2.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van Woonbron volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis wordt toegewezen omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijkt (artikel 139 Rv).
2.3.
[naam 1] (hierna: [naam 1]) huurt op grond van een huurovereenkomst van 1 maart 2019 van Woonbron de woning aan [adres] (hierna: het gehuurde). De huurprijs bedraagt thans € 614,75 per maand en dient in zijn geheel op de eerste dag van de maand te worden betaald.
2.4.
Op 1 augustus 2024 treft de politie een drugslab in het gehuurde aan. Vanwege de grote hoeveelheid chemicaliën sluit de burgemeester van de gemeente Nissewaard het gehuurde per direct voor de duur van drie maanden. Bij brief van 6 augustus 2024 schrijft Woonbron aan [naam 1] dat zij de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbindt. Zij heeft die bevoegdheid op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. Dat is al voldoende voor toewijzing van de ontruimingsvordering.
2.5.
Ook overigens is ontruiming gerechtvaardigd. Het in bedrijf hebben van een drugslab in een woning levert gevaar op voor omringende panden en bewoners en is van invloed op de leefbaarheid in de wijk. Van Rijn Bewind wordt dan ook veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde. De vordering tot betaling van een vergoeding gelijk aan de huurprijs van € 614,75 per maand wordt ook toegewezen en wel vanaf 1 september 2024 tot en met de dag van de ontruiming (artikel 7:225 BW).
2.6.
Van Rijn Bewind wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonbron worden begroot op:
- dagvaarding: € 135,96
- griffierecht: € 130,00
- salaris gemachtigde: € 543,00
- nakosten: € 135,00
Totaal: € 943,96
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard , omdat Woonbron dat vordert (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verleent verstek tegen Van Rijn Bewind,
3.2.
veroordeelt Van Rijn Bewind om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] met al de zijnen en het zijne te ontruimen en ontruimd te houden en, onder afgifte van de sleutels, ter vrij en algehele beschikking van Woonbron te stellen,
3.3.
veroordeelt Van Rijn Bewind om aan Woonbron vanaf 1 september 2024 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt € 614,75 per maand te betalen,
3.4.
veroordeelt Van Rijn Bewind in de proceskosten van € 943,96, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Van Rijn Bewind niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij ook de kosten van betekening betalen,
3.5.
veroordeelt Van Rijn Bewind in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
[35850]