Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-18
ECLI:NL:RBROT:2024:10407
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,738 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 18 juli 2024
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 17 mei 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 17 mei 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juli 2024.
Verzoekster heeft de rechtbank op de dag van de zitting telefonisch laten weten dat zij niet aanwezig zal zijn vanwege een sterfgeval in de familie.
Ter zitting van 11 juli 2024 zijn verschenen en gehoord:
- de heer J.A. Westdijk, werkzaam bij Stichting Waterweg Wonen (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft inkomsten uit een Participatiewet-uitkering. Verzoekster zal verplicht worden haar inkomen over te laten maken op een betalingsrekening van de schuldhulpverlener, waardoor voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen tijdig kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster onderzoekt met de hulp van schuldhulpverlening of het mogelijk is om haar schuldeisers een buitengerechtelijke schuldregeling aan te bieden. Gezien deze regeling zich thans in een beginstadium bevindt, wordt verzocht om de gevraagde voorziening te treffen voor een periode van zes maanden.
3Het verweer
Ter zitting heeft verweerster aangegeven dat er eerder een vonnis is gewezen waarbij een huurachterstand van ruim € 5.000,- werd vastgesteld. In dat vonnis werd de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning echter niet toegewezen. Na dit vonnis heeft verzoekster opnieuw nagelaten de huurtermijnen te betalen. Op 1 februari 2024 heeft verweerster een dagvaarding uitgebracht. Bij het vonnis van 29 maart 2024 zijn de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning wél toegewezen. De huidige huurachterstand bedraagt € 3.949,37, exclusief de huurachterstand zoals vermeld in het eerste vonnis en de bijkomende kosten. De totale huurachterstand bedraagt daarmee
€ 9.821,27. Verzoekster heeft in haar contacten aangegeven dat betalingen zouden zijn verricht, maar deze betalingen zijn desondanks nooit ontvangen. Wel heeft verzoekster op 9 juli 2024 een bedrag van € 70,- en op 10 juli 2024 een bedrag van € 609,- overgemaakt. Dit gebeurde kort nadat de advocaat van verzoekster zich had onttrokken. Hoewel er een verzoek is ingediend bij Stroomopwaarts om een minnelijke regeling op te starten, is er niemand verschenen, waardoor het onduidelijk is hoever dit traject gevorderd is. Gezien de voortdurende achterstand en de niet nagekomen toezeggingen, heeft verweerster er geen vertrouwen meer in dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 29 maart 2024 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 18 april 2024 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 mei 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat een schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 29 maart 2024 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Ter zitting is niemand vanuit schuldhulpverlening verschenen, waardoor het onduidelijk is in hoeverre het schuldhulpverleningstraject is opgestart en hoe dat verloopt. Ook heeft de advocaat van verzoekster op 9 juli 2024 laten weten dat hij zich heeft onttrokken als gemachtigde. Nadat de advocaat zich heeft onttrokken, heeft verzoekster de huur van de maand juli 2024 voldaan en een extra betaling van € 70,- verricht. Desondanks is de huur niet tijdig voldaan. Aangezien onduidelijk is of schuldhulpverlening het inkomen van verzoekster beheert, is het onvoldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024.