Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-08-21
ECLI:NL:RBROT:2024:10338
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,831 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 21 augustus 2024
afwijzen gedwongen schuldregeling
in de zaak van:
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 14 mei 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a lid 1 Faillissementswet ingediend om een tweetal schuldeisers, te weten:
Freo (hierna: Freo);
de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] );
die weigeren mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
In de contacten met de Kredietbank Rotterdam heeft Freo, bij e-mail van 2 juli 2024, te kennen gegeven alsnog in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Het verzoek ten aanzien van Freo wordt derhalve als ingetrokken beschouwd.
Ter zitting van 7 augustus 2024 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon B] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
de heer T. Laros, werkzaam bij Laros Beheer (hierna: beschermingsbewindvoerder).
De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Op 13 augustus 2024 heeft schuldhulpverlening aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift één preferente schuldeiser en elf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 35.946,70 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 5 oktober 2023 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 4,43% aan de preferente schuldeiser en 2,21% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. De totale schuldenlast was op dat moment € 37.130,34. De schuldenlast is derhalve lager geworden. Het aangeboden percentage is hetzelfde gebleven.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoeker heeft op basis van zijn dienstbetrekking. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker gemiddeld vijfentwintig uur per week werkt op basis van een tijdelijke arbeidsovereenkomst. Verzoeker heeft echter ter zitting verklaard dat hij fulltime werkzaam is. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.
Elf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [persoon A] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 1.335,-- op verzoeker.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [persoon A] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zijn standpunten ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [persoon A] bij zijn weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [persoon A] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. De salarisspecificatie van januari 2024 toont aan dat verzoeker dertien dagen heeft gewerkt en een nettoloon van € 1.536,18 heeft ontvangen. Uit de aanvullende stukken blijkt dat verzoeker in de periode van augustus 2023 tot en met juni 2024 een netto inkomen ontving variërend tussen de € 1.200,-- en € 1.564,10 (exclusief vakantiegeld). Slechts in de maand juli 2024 ontving verzoeker een netto inkomen van € 1.741,39. Gelet op de ontvangen inkomsten tussen augustus 2023 en juni 2024 stelt de rechtbank vast dat verzoeker in deze periode niet fulltime heeft gewerkt. Het aanbod aan de schuldeisers is aldus gebaseerd op inkomsten uit een parttimedienstverband. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is onvoldoende duidelijk geworden dat verzoeker niet in staat zou zijn om (minimaal) 36 uur per week te werken. Verzoeker heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat een stijging in het loon uit arbeid niet leidt tot een verhoging van de afloscapaciteit. De rechtbank kan dus niet zonder meer vast stellen dat de huidige afloscapaciteit van verzoeker blijvend is.
Voorts heeft schuldhulpverlening ter zitting verklaard dat er reeds een bedrag is gespaard. Uit het verzoekschrift en de aanvullende stukken blijkt echter niet dat dit bedrag is meegenomen in het aangeboden akkoord. Ook is niet onderbouwd waarom dit bedrag niet in het akkoord zou moeten worden opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank dient het gespaarde bedrag ten goede aan de schuldeisers te komen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van [persoon A] als weigerende schuldeiser zwaarder weegt dan dat van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [persoon A] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.
De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en in aanwezigheid van
mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2024.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.