Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-07-01
ECLI:NL:RBROT:2024:10313
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,980 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 1 juli 2024
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 16 mei 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In vonnis van de rechtbank van 16 mei 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 juni 2024.
Ter zitting van 24 juni 2024 zijn verschenen en gehoord:
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
Op 28 juni 2024 heeft schuldhulpverlening aanvullende stukken aan de rechtbank overgelegd.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de Rechtbank Rotterdam van 24 november 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Uit het verzoekschrift is gebleken dat verzoekster in het verleden moeite had met het beheren van haar financiën. Sinds 26 maart 2024 is er sprake van budgetbeheer. Verzoekster ontvangt inkomsten uit arbeid ter hoogte van € 1.746,07 per maand. De kale huur bedraagt
€ 575,03 per maand. De huur van de maanden mei, juni en juli 2024 is voldaan. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij zullen starten met het inventariseren van de schulden zodra de belastingaangiftes zijn gedaan. Zij verwachten binnen vijf tot zeven weken een aanbod te kunnen doen aan de schuldeisers.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Verzoekster heeft een kopie overgelegd van het proces-verbaal van de Rechtbank Rotterdam van 24 november 2024, waarin bij vaststellingsovereenkomst is vastgelegd dat de huurovereenkomst eindigt indien de getroffen betalingsregeling niet wordt nagekomen, en verweerster dan mag overgaan tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster. Ook is overgelegd een kopie van het exploot van 6 mei 2024 waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 22 mei 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster. Daaraan ligt ten grondslag dat de regeling door verzoekster niet is nagekomen. Gelet hierop, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 24 november 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huurtermijnen van de maanden mei, juni en juli 2024 zijn betaald. Verzoeker ontvangt maandelijks voldoende inkomsten uit hoofde van een arbeidsovereenkomst. Uit het verzoekschrift is gebleken dat er sprake is van budgetbeheer, waardoor voldoende is gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen tijdig zullen worden voldaan. Schuldhulpverlening heeft bovendien ter zitting aangegeven dat zij in beginsel binnen enkele weken een aanbod kan doen aan de schuldeisers.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat het belang van verzoekster op dit moment zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerster. De rechtbank acht echter wel zorgelijk dat verzoekster niet aanwezig was tijdens de zitting. Dit roept de vraag op of verzoekster wel voldoende betrokkenheid heeft bij het schuldhulpverleningstraject dat loopt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om af te wijken van de verzochte termijn van zes maanden. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat zij, op voorwaarde dat verzoekster haar medewerking blijft verlenen, in staat is om binnen vijf tot zeven weken een voorstel aan de schuldeisers te doen. Verzoekster zal moeten aantonen dat zij gemotiveerd is om op korte termijn een schuldregeling tot stand te brengen. De rechtbank zal het moratorium derhalve toewijzen voor een periode van vier maanden.
De rechtbank zal bovendien ter zekerheid van de belangen van verweerster (tijdige betaling van de huur) in het dictum een voorwaarde opnemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 24 november 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken proces-verbaal van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres] te Rotterdam, voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van vier maanden vanaf 16 mei 2024;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2024.