Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2024-02-14
ECLI:NL:RBROT:2024:1009
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
8,640 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/640172 / FA RK 22-4281
Beschikking 14 februari 2024 over het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de benoeming van een bijzondere curator.
in de zaak van:
[naam01]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats01],
advocaat mr. A. Mao te Schiedam,
t e g e n
[naam02]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats02],
advocaat mr. A.K. Ramdas te Barendrecht,
ouders van de minderjarige:
[minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2011 te [geboorteplaats01] (hierna: de minderjarige).
1De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 30 maart 2023;
- de beschikking van deze rechtbank van 4 april 2023;
- het bericht van de man van 5 juni 2023;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 12 december 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 14 december 2023. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam03];
de gezinsvoogdijinstelling Jeugdbescherming Brabant, vertegenwoordigd door
[naam04] en [naam05], aanwezig via een beeld- en geluidverbinding, (hierna de GI).
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft op 17 januari 2024 op de rechtbank met een van de rechters gesproken.
2De nadere vaststaande feiten
2.1.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 november 2023 de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld en een machtiging verleend om de minderjarige tot 6 december 2023 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader met gezag. Bij beschikking van 5 december 2023 van deze rechtbank is de onder toezicht stelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 5 december 2024.
3De verdere beoordeling
3.1.
Tussenbeschikking
3.1.1.
Bij tussenbeschikking van 4 april 2023 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de afgifte van de minderjarige, de dwangsommen en de benoeming van een bijzondere curator. De rechtbank verwijst naar die beschikking.
3.2.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.1.
De rechtbank verwijst voor de rechtsmacht naar rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van de beschikking van 4 april 2023 van deze rechtbank, waarin is geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 Rv bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op de verzoeken toe.
3.3.
Ingetrokken verzoeken
3.3.1.
De man heeft zijn verzoeken om de verblijfplaats van de minderjarige kenbaar te manen en om de afgifte van de minderjarige ingetrokken. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen.
3.4.
Bijzondere curator
3.4.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om een bijzondere curator te benoemen.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.
Op grond van artikel 1:250 BW kan de rechtbank, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, dan wel diens vermogen, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, dan wel de voogd, in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.
3.4.4.
De rechtbank is van oordeel dat uit het gesprek met de minderjarige helder naar voren is gekomen wat zij graag wil. Ook de verschillen van inzicht tussen de partijen zijn duidelijk. Het is niet nodig een bijzondere curator te benoemen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
3.5.
Gezag
3.5.1.
Zowel de man als de vrouw verzoekt te bepalen alleen te worden belast met het gezag over de minderjarige.
3.5.2.
Zowel de man als de vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.5.3.
De man heeft op zitting gesteld dat de man en de vrouw, door hun belaste en conflictueuze verleden, niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Volgens de man heeft de minderjarige bij hem nu rust, structuur en stabiliteit. Om dit voort te kunnen zetten is het volgens de man noodzakelijk om hem met het eenhoofdige gezag over de minderjarige te belasten.
3.5.4.
De vrouw heeft niet betwist dat partijen door hun conflictueuze verleden niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Wel betwist de vrouw de lezing van de man dat de minderjarige nu rust, structuur en stabiliteit zou ervaren. Volgens de vrouw wordt de minderjarige juist geschaad in haar belangen en raakt zij getraumatiseerd doordat de man de minderjarige verbiedt om contact met de vrouw of met familie van moederszijde te hebben. De vrouw voert aan dat zij haar dochter al twaalf jaar zelfstandig opvoedt en verzorgt en het zou in het belang van de minderjarige zijn om dit voort te zetten door haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten
3.5.5.
De raad adviseert om het verzoek van de man toe te wijzen en hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
3.5.6.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.5.7.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kind samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen.
Dictum
3.9.
Proceskosten
3.9.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
De beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, voorzitter, mr. D.Y.A. van Meersbergen en mr. J. van den Bos, rechters allen tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van griffier mr. J.J.H. Scholtens-Geeve op 14 februari 2024.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/640172 / FA RK 22-4281
Beschikking 14 februari 2024 over het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de benoeming van een bijzondere curator.
in de zaak van:
[naam01]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats01],
advocaat mr. A. Mao te Schiedam,
t e g e n
[naam02]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats02],
advocaat mr. A.K. Ramdas te Barendrecht,
ouders van de minderjarige:
[minderjarige01], geboren op [geboortedatum01] 2011 te [geboorteplaats01] (hierna: de minderjarige).
1De verdere procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 30 maart 2023;
- de beschikking van deze rechtbank van 4 april 2023;
- het bericht van de man van 5 juni 2023;
- het bericht met bijlagen van de vrouw van 12 december 2023.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op 14 december 2023. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam03];
de gezinsvoogdijinstelling Jeugdbescherming Brabant, vertegenwoordigd door
[naam04] en [naam05], aanwezig via een beeld- en geluidverbinding, (hierna de GI).
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft op 17 januari 2024 op de rechtbank met een van de rechters gesproken.
2De nadere vaststaande feiten
2.1.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 november 2023 de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld en een machtiging verleend om de minderjarige tot 6 december 2023 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de vader met gezag. Bij beschikking van 5 december 2023 van deze rechtbank is de onder toezicht stelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 5 december 2024.
3De verdere beoordeling
3.1.
Tussenbeschikking
3.1.1.
Bij tussenbeschikking van 4 april 2023 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak aangehouden ten aanzien van het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, de afgifte van de minderjarige, de dwangsommen en de benoeming van een bijzondere curator. De rechtbank verwijst naar die beschikking.
3.2.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
3.2.1.
De rechtbank verwijst voor de rechtsmacht naar rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van de beschikking van 4 april 2023 van deze rechtbank, waarin is geoordeeld dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 Rv bevoegd is om kennis te nemen van de verzoeken. De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht op de verzoeken toe.
3.3.
Ingetrokken verzoeken
3.3.1.
De man heeft zijn verzoeken om de verblijfplaats van de minderjarige kenbaar te manen en om de afgifte van de minderjarige ingetrokken. De rechtbank zal deze verzoeken afwijzen.
3.4.
Bijzondere curator
3.4.1.
De vrouw verzoekt de rechtbank om een bijzondere curator te benoemen.
3.4.2.
De man voert gemotiveerd verweer.
3.4.3.
Op grond van artikel 1:250 BW kan de rechtbank, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige, dan wel diens vermogen, de belangen van de met het gezag belaste ouders of één van hen, dan wel de voogd, in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen indien de rechtbank dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen.
3.4.4.
De rechtbank is van oordeel dat uit het gesprek met de minderjarige helder naar voren is gekomen wat zij graag wil. Ook de verschillen van inzicht tussen de partijen zijn duidelijk. Het is niet nodig een bijzondere curator te benoemen. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
3.5.
Gezag
3.5.1.
Zowel de man als de vrouw verzoekt te bepalen alleen te worden belast met het gezag over de minderjarige.
3.5.2.
Zowel de man als de vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.5.3.
De man heeft op zitting gesteld dat de man en de vrouw, door hun belaste en conflictueuze verleden, niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Volgens de man heeft de minderjarige bij hem nu rust, structuur en stabiliteit. Om dit voort te kunnen zetten is het volgens de man noodzakelijk om hem met het eenhoofdige gezag over de minderjarige te belasten.
3.5.4.
De vrouw heeft niet betwist dat partijen door hun conflictueuze verleden niet in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Wel betwist de vrouw de lezing van de man dat de minderjarige nu rust, structuur en stabiliteit zou ervaren. Volgens de vrouw wordt de minderjarige juist geschaad in haar belangen en raakt zij getraumatiseerd doordat de man de minderjarige verbiedt om contact met de vrouw of met familie van moederszijde te hebben. De vrouw voert aan dat zij haar dochter al twaalf jaar zelfstandig opvoedt en verzorgt en het zou in het belang van de minderjarige zijn om dit voort te zetten door haar met het eenhoofdig gezag over de minderjarige te belasten
3.5.5.
De raad adviseert om het verzoek van de man toe te wijzen en hem te belasten met het eenhoofdig gezag over de minderjarige.
3.5.6.
Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag of als bij de beslissing tot gezamenlijk gezag van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Indien één van deze gevallen zich voordoet, zal vervolgens beoordeeld moeten worden of er reden is voor beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. Van toepassing is het in artikel 1:251a BW genoemde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.
3.5.7.
Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kind samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders indien de ouders dat niet kunnen.
Dictum
3.9.
Proceskosten
3.9.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de man zal zijn;
4.2.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
4.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
De beschikking is gegeven door mr. S. Wierink, voorzitter, mr. D.Y.A. van Meersbergen en mr. J. van den Bos, rechters allen tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van griffier mr. J.J.H. Scholtens-Geeve op 14 februari 2024.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.
Inleiding
Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.5.8.
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van het volgende. De minderjarige is door de vrouw in 2020 meegenomen naar het buitenland. Op 21 april 2021 zijn de man en de vrouw gezamenlijk belast met het gezag. De vrouw heeft de man niet willen vertellen waar zij met de minderjarige in het buitenland verbleef. Ook heeft de vrouw geen contact opgenomen met de GI. De minderjarige heeft in die periode een negatief beeld over haar vader gekregen. De vrouw heeft uiteindelijk voor een periode van drie jaar met de minderjarige in het buitenland verbleven. De vrouw is teruggekomen naar Nederland en heeft, naar later bleek, de minderjarige bij oma in Rusland achtergelaten. In augustus 2023 is de minderjarige naar Nederland gereisd en direct bij aankomst op Schiphol uithuisgeplaatst bij de man. Sinds september 2023 gaat de minderjarige naar de basisschool en is door achterstanden en om haar rust te geven in groep 7 geplaatst.
3.5.9.
De rechtbank is, met de raad, van oordeel dat de verhoudingen tussen de man en de vrouw ernstig zijn verstoord en dat er een groot wantrouwen tussen hen bestaat. Echter, in tegenstelling tot de raad is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment te vroeg is om de man alleen met het gezag te belasten. Het wettelijk uitgangspunt is gezamenlijk gezag; dat uitgangspunt weeg zwaar. Doordat partijen pas bij beschikking van 21 april 2021 gezamenlijk zijn belast met het gezag over de minderjarige en de vrouw toen al met de minderjarige in het buitenland verbleef, hebben partijen tot nu toe nog niet de mogelijkheid gehad om te laten zien dat zij in staat zijn gezamenlijke beslissingen te nemen in het belang van de minderjarige. Daarnaast biedt gezamenlijk gezag de GI de mogelijkheid om zowel de man als de vrouw aanwijzingen te geven met betrekking tot de opvoeding en verzorging van de minderjarige. De rechtbank vindt dat op dit moment in het belang van de minderjarige. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vrouw en het verzoek van de man om eenhoofdig gezag over de minderjarige afwijzen.
3.5.10.
De rechtbank merkt nog wel het volgende op. Gezamenlijk gezag kan voor conflicten leiden tussen de ouders. Het is in eerste instantie aan hen om zich maximaal in te spannen die conflicten op een nette manier op te lossen. Dat is niet alleen van groot belang voor de minderjarige; het is ook in het belang van de ouders. Wanneer nodig kunnen gezagsconflicten aan de rechtbank worden voorgelegd ter beslissing. Daarbij waarschuwt de rechtbank dat dwarsliggen om het dwarsliggen doorgaans niet wordt beloond.
3.6.
Hoofdverblijfplaats
3.6.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De afgelopen jaren zijn hectisch geweest voor de minderjarige. Uit het gesprek met [minderjarige01] is duidelijk geworden dat zij in ieder geval in Bulgarije, Oekraïne en Rusland heeft gewoond. Op elke nieuwe verblijfplaats waar zij door haar moeder mee naartoe werd genomen, moest zij nieuwe mensen leren kennen, in een taal die haar niet eigen was. Vervolgens moest zij deze mensen weer achterlaten om naar een volgende plek te verhuizen. De minderjarige geeft aan soms naar school te zijn gegaan, maar soms ook niet. Nu is zij in Nederland, bij de man, en gaat zij naar school.
3.6.2.
Zowel de man als de vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem dan wel bij haar zal zijn.
3.6.3.
Zowel de man als de vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.6.4.
De man stelt dat de minderjarige nu een stabiel en gestructureerd leven heeft. Ze gaat naar school, maakt vriendinnen en heeft een thuis. Ook de minderjarige geeft aan dat het goed gaat met haar. Ze kan het goed vinden met haar stiefmoeder, ze haalt goede cijfers op school en maakt vriendinnen.
3.6.5.
De vrouw betwist de lezing van de man en stelt dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar zou moeten worden bepaald omdat de minderjarige altijd aan haar zorg is toevertrouwd en de man nooit zorg- of opvoedingstaken heeft uitgevoerd. Daarnaast is de kans op psychische schade bij de minderjarige volgens de vrouw, groot gezien de sterke afkeer en angst die de minderjarige jegens de man voelt.
3.6.6.
De raad adviseert de hoofdverblijfplaats te bepalen bij de man.
3.6.7.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.6.8.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3.6.9.
Hoewel de rechtbank zich realiseert dat de minderjarige in de afgelopen jaren veel veranderingen heeft moeten door maken en haar moeder tot nu toe als haar hoofdverzorger heeft gekend, vindt de rechtbank het, net als de raad en de GI in het belang van de minderjarige om het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man toe te wijzen om zodoende stabiliteit en veiligheid te waarborgen voor de komende jaren. De rechtbank zal het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen toewijzen en het verzoek van de vrouw afwijzen.
3.6.10.
Ten slotte wijst de rechtbank partijen nog op het volgende.
3.6.10.1. In het gesprek met de rechter heeft de minderjarige heeft in dit gesprek verteld dat zij haar moeder al een maand niet heeft gezien, naar haar zeggen door een wisseling van jeugdbeschermers. Zij mist haar moeder erg. Ook heeft zij verteld dat de man haar belemmert contact te zoeken met haar moeder door naast haar te gaan zitten als zij haar telefoon gebruikt en zo te controleren met wie zij contact zoekt. Over haar moeder wordt thuis amper gesproken en als het over haar gaat, dan is het negatief. De minderjarige heeft hier last van.
3.6.10.2. Hoewel de rechtbank, met oog op het verleden, begrip kan opbrengen voor het feit dat de man wantrouwend is richting de vrouw, benadrukt de rechtbank dat deze angst niet leidend moet zijn en niet tot uitsluiting van de vrouw mag leiden. De rechter wijst de man op zijn verplichting van artikel 1:247 lid 3 BW als ouder om de ontwikkeling van de band van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Contact tussen de minderjarige en haar beide ouders is van groot belang voor de ontwikkeling van de minderjarige.
3.6.10.3. De rechtbank benadrukt dat het belangrijk is dat de ouders over hun schaduw heenstappen en in het belang van de minderjarige een contact- en omgangsregeling moeten treffen. Het aan de ouders om te bezien hoe deze regeling kan worden vormgegeven op een manier dat aan wederzijdse zorgen tegemoet kan worden gekomen.
Inleiding
Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend.
3.5.8.
Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van het volgende. De minderjarige is door de vrouw in 2020 meegenomen naar het buitenland. Op 21 april 2021 zijn de man en de vrouw gezamenlijk belast met het gezag. De vrouw heeft de man niet willen vertellen waar zij met de minderjarige in het buitenland verbleef. Ook heeft de vrouw geen contact opgenomen met de GI. De minderjarige heeft in die periode een negatief beeld over haar vader gekregen. De vrouw heeft uiteindelijk voor een periode van drie jaar met de minderjarige in het buitenland verbleven. De vrouw is teruggekomen naar Nederland en heeft, naar later bleek, de minderjarige bij oma in Rusland achtergelaten. In augustus 2023 is de minderjarige naar Nederland gereisd en direct bij aankomst op Schiphol uithuisgeplaatst bij de man. Sinds september 2023 gaat de minderjarige naar de basisschool en is door achterstanden en om haar rust te geven in groep 7 geplaatst.
3.5.9.
De rechtbank is, met de raad, van oordeel dat de verhoudingen tussen de man en de vrouw ernstig zijn verstoord en dat er een groot wantrouwen tussen hen bestaat. Echter, in tegenstelling tot de raad is de rechtbank van oordeel dat het op dit moment te vroeg is om de man alleen met het gezag te belasten. Het wettelijk uitgangspunt is gezamenlijk gezag; dat uitgangspunt weeg zwaar. Doordat partijen pas bij beschikking van 21 april 2021 gezamenlijk zijn belast met het gezag over de minderjarige en de vrouw toen al met de minderjarige in het buitenland verbleef, hebben partijen tot nu toe nog niet de mogelijkheid gehad om te laten zien dat zij in staat zijn gezamenlijke beslissingen te nemen in het belang van de minderjarige. Daarnaast biedt gezamenlijk gezag de GI de mogelijkheid om zowel de man als de vrouw aanwijzingen te geven met betrekking tot de opvoeding en verzorging van de minderjarige. De rechtbank vindt dat op dit moment in het belang van de minderjarige. De rechtbank zal dan ook het verzoek van de vrouw en het verzoek van de man om eenhoofdig gezag over de minderjarige afwijzen.
3.5.10.
De rechtbank merkt nog wel het volgende op. Gezamenlijk gezag kan voor conflicten leiden tussen de ouders. Het is in eerste instantie aan hen om zich maximaal in te spannen die conflicten op een nette manier op te lossen. Dat is niet alleen van groot belang voor de minderjarige; het is ook in het belang van de ouders. Wanneer nodig kunnen gezagsconflicten aan de rechtbank worden voorgelegd ter beslissing. Daarbij waarschuwt de rechtbank dat dwarsliggen om het dwarsliggen doorgaans niet wordt beloond.
3.6.
Hoofdverblijfplaats
3.6.1.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De afgelopen jaren zijn hectisch geweest voor de minderjarige. Uit het gesprek met [minderjarige01] is duidelijk geworden dat zij in ieder geval in Bulgarije, Oekraïne en Rusland heeft gewoond. Op elke nieuwe verblijfplaats waar zij door haar moeder mee naartoe werd genomen, moest zij nieuwe mensen leren kennen, in een taal die haar niet eigen was. Vervolgens moest zij deze mensen weer achterlaten om naar een volgende plek te verhuizen. De minderjarige geeft aan soms naar school te zijn gegaan, maar soms ook niet. Nu is zij in Nederland, bij de man, en gaat zij naar school.
3.6.2.
Zowel de man als de vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem dan wel bij haar zal zijn.
3.6.3.
Zowel de man als de vrouw voert gemotiveerd verweer.
3.6.4.
De man stelt dat de minderjarige nu een stabiel en gestructureerd leven heeft. Ze gaat naar school, maakt vriendinnen en heeft een thuis. Ook de minderjarige geeft aan dat het goed gaat met haar. Ze kan het goed vinden met haar stiefmoeder, ze haalt goede cijfers op school en maakt vriendinnen.
3.6.5.
De vrouw betwist de lezing van de man en stelt dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij haar zou moeten worden bepaald omdat de minderjarige altijd aan haar zorg is toevertrouwd en de man nooit zorg- of opvoedingstaken heeft uitgevoerd. Daarnaast is de kans op psychische schade bij de minderjarige volgens de vrouw, groot gezien de sterke afkeer en angst die de minderjarige jegens de man voelt.
3.6.6.
De raad adviseert de hoofdverblijfplaats te bepalen bij de man.
3.6.7.
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.
3.6.8.
De rechtbank oordeelt als volgt.
3.6.9.
Hoewel de rechtbank zich realiseert dat de minderjarige in de afgelopen jaren veel veranderingen heeft moeten door maken en haar moeder tot nu toe als haar hoofdverzorger heeft gekend, vindt de rechtbank het, net als de raad en de GI in het belang van de minderjarige om het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man toe te wijzen om zodoende stabiliteit en veiligheid te waarborgen voor de komende jaren. De rechtbank zal het verzoek van de man om de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen toewijzen en het verzoek van de vrouw afwijzen.
3.6.10.
Ten slotte wijst de rechtbank partijen nog op het volgende.
3.6.10.1. In het gesprek met de rechter heeft de minderjarige heeft in dit gesprek verteld dat zij haar moeder al een maand niet heeft gezien, naar haar zeggen door een wisseling van jeugdbeschermers. Zij mist haar moeder erg. Ook heeft zij verteld dat de man haar belemmert contact te zoeken met haar moeder door naast haar te gaan zitten als zij haar telefoon gebruikt en zo te controleren met wie zij contact zoekt. Over haar moeder wordt thuis amper gesproken en als het over haar gaat, dan is het negatief. De minderjarige heeft hier last van.
3.6.10.2. Hoewel de rechtbank, met oog op het verleden, begrip kan opbrengen voor het feit dat de man wantrouwend is richting de vrouw, benadrukt de rechtbank dat deze angst niet leidend moet zijn en niet tot uitsluiting van de vrouw mag leiden. De rechter wijst de man op zijn verplichting van artikel 1:247 lid 3 BW als ouder om de ontwikkeling van de band van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Contact tussen de minderjarige en haar beide ouders is van groot belang voor de ontwikkeling van de minderjarige.
3.6.10.3. De rechtbank benadrukt dat het belangrijk is dat de ouders over hun schaduw heenstappen en in het belang van de minderjarige een contact- en omgangsregeling moeten treffen. Het aan de ouders om te bezien hoe deze regeling kan worden vormgegeven op een manier dat aan wederzijdse zorgen tegemoet kan worden gekomen.